Start- en landingsbanen zijn niet vrijgesteld
De heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam heeft de waarde van een luchtvaartterrein vastgesteld op € 29.034.000. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard. In geschil is of de start- en landingsbanen terecht zijn gewaardeerd.
De Rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat start- en landingsbanen niet als landwegen in de zin van artikel 220d, eerste lid, onderdeel f, van de Gemeentewet kunnen worden aangemerkt. In hoger beroep stelt belanghebbende aan de orde of naar Nederlands recht algemeen verbindende voorschriften, zoals de onderhavige verordening, door de rechter kunnen worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen.
Het hof overweegt dat, gelijk de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 16 mei 1986 (nr. 12 818, NJ 1987, 251), geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter een zodanig voorschrift onverbindend en in verband daarmee de vaststelling en uitvoering daarvan onrechtmatig kan oordelen op de grond dat sprake is van willekeur. In de door belanghebbende aangevoerde argumenten ziet het hof echter geen reden de Verordening onverbindend te verklaren.
Belanghebbende heeft ook een beroep gedaan op de ratio (doel en strekking) van de openbareweguitzondering, evenwel tevergeefs. Zoals A-G Ilsink in zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003 (LJN AD6058), heeft uiteengezet, is het een probleem dat die uitzondering in het desbetreffende amendement niet van een ratio is voorzien en dat ook in de overwegingen van de Kroon in het KB-Schiedam geen werkelijke ratio is te ontdekken. Dus kan alleen worden geconstateerd dat de wetgever, en in zijn voetspoor de regelgever, - om welke redenen dan ook - land- en waterwegen en spoorbanen wel heeft willen vrijstellen, maar start- en landingsbanen niet. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
DATUM:
21 augustus 2012
ECLI:
ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ5308
ZAAKNUMMER:
BK-11/00196
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
