Waardebepaling windmolenpark
Belanghebbende is eigenaar van een windmolenpark bestaande uit vier windturbines van het type Vestas, de ondergrond daarvan en de toegangspaden. De heffingsambtenaar van de gemeente Lelystad heeft de waarde na bezwaar gehandhaafd op € 3.694.000. De Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft het beroep gegrond verklaard en de waarde verminderd tot € 2.455.341. De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld. Tussen partijen is in hoger beroep niet meer in geschil dat de energie-investeringsaftrek (EIA) niet in mindering wordt gebracht op de stichtingskosten van de windturbines.
De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde van het object moet worden vastgesteld op € 3.694.000, waarbij is uitgegaan van een werktuigenvrijstelling van 36,02% van de stichtingskosten van de windturbines. Belanghebbende bepleit een waarde van € 1.422.017 en gaat hierbij uit van een werktuigenvrijstelling van 44,8%.
Naar het oordeel van het hof maakt de heffingsambtenaar, zonder nadere toelichting, niet aannemelijk dat de door hem gehanteerde, aan de Taxatiewijzer ontleende, stichtingskosten van de windturbines niet te hoog zijn. Het hof hecht geloof aan een door belanghebbende overgelegde, niet door de heffingsambtenaar bestreden, prijslijst en prijsopgaaf van fabrikant Vestas. Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de turbines aan het eind van de geschatte levensduur geen enkele restwaarde meer zouden hebben. Zo valt bijvoorbeeld niet in te zien waarom de fundering niet meer bruikbaar zou zijn voor plaatsing van een andere turbine. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de door de heffingsambtenaar verdedigde levensduur van 17,5 jaar en een restwaarde van 5%.
De heffingsambtenaar verwijst voor de werktuigenvrijstelling naar een overzicht met daarin de verhoudingen van de onderdelen van een andere windturbine dan de onderhavige. Belanghebbende overlegt een brief van Vestas waarin deze fabrikant een overzicht geeft van de delen van de windturbine die niet onder de werktuigenvrijstelling vallen.
Het hof hecht meer waarde aan de opgaaf van Vestas dan aan het door de heffingsambtenaar overgelegde overzicht, nu dit laatste ziet op een windturbine die afwijkt in hoogte en door een andere fabrikant is geproduceerd.
Het hof verklaart het hoger beroep (deels) gegrond, ook het incidentele hoger beroep is gegrond. De waarde wordt vastgesteld op € 2.548.659.
DATUM:
24 augustus 2010
ECLI:
ECLI:NL:GHARN:2010:BN7072
ZAAKNUMMER:
09/00378
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem
