Komst van uitkoopregeling is geen bijzondere omstandigheid
In hoger beroep is in geschil de invloed van de (op de waardepeildatum nog verwachte, maar inmiddels in werking getreden) uitkoopregeling op de WOZ-waarde van de woning.
Het hof oordeelt dat de komst van de uitkoopregeling geen bijzondere omstandigheid is om uit te gaan van de toestandsdatum (art. 17 lid 3, onderdeel c Wet WOZ). Pas in oktober/november 2016 is vast komen te staan hoe de waarde die de gemeente op basis van de uitkoopregeling vergoedt, vastgesteld zou worden. Weliswaar heeft de uitkoopregeling een lange voorbereidingstijd gehad, maar over de exacte wijze van berekening van de aankoopsom die bewoners zullen ontvangen wanneer zij gebruik maken van de uitkoopregeling, is pas in oktober/november duidelijkheid gekomen. Geoordeeld moet worden dat de waarde van de woning dient te worden bepaald naar de waarde die deze op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin deze op die datum verkeert (art. 18 lid 1 Wet WOZ). Nu geen van beide partijen erin is geslaagd het van haar gevergde bewijs te leveren, bepaalt het hof, evenals de rechtbank, de waarde van de woning in goede justitie. Het hof overweegt daarbij dat de onzekerheid op de waardepeildatum van de komst van de uitkoopregeling met de correctie van 20% op de grondwaarde die de heffingsambtenaar reeds heeft toegepast en de extra correctie van 20% op de waarde van de opstal die de rechtbank daaraan heeft toegevoegd, voldoende is verdisconteerd. Weliswaar heeft de rechtbank de extra correctie toegepast in verband met de aanwezigheid van de hoogspanningsmasten, maar belanghebbende heeft in hoger beroep verklaard dat deze geen waardedrukkend effect hebben, zodat de waarde op die grond niet gecorrigeerd hoeft te worden.
DATUM:
10 oktober 2017
ECLI:
ECLI:NL:GHDHA:2017:2874
ZAAKNUMMER:
BK-17/00459
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
