Aanslag voor iedere afzonderlijke garagebox
Belanghebbende is eigenaar van 80 garageboxen, waarvoor 80 aanslagen rioolrecht zijn opgelegd door de gemeente Groningen. De garageboxen zijn niet aangesloten op de waterlei-ding, hebben geen afvoerputje en zijn voorzien van een gemeenschappelijk dak. Voor de afvoer van het hemelwater zijn er twee aansluitingen op de gemeentelijke riolering. Over de jaren 1999 tot en met 2002 zijn voor de garageboxen twee aanslagen rioolrecht opgelegd. Bij brief van 29 oktober 2002 is aan belanghebbende meegedeeld dat deze handelwijze was gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en dat met ingang van het jaar 2003 voor elke garagebox een aanslag zal worden opgelegd.
Belanghebbende is van mening dat de garageboxen niet als afzonderlijke objecten kunnen worden aangemerkt en dat de gebruikswaarde van de boxen niet wordt verhoogd door de aanwezigheid van de twee hemelwaterafvoeren. Mocht de gebruikswaarde wel worden ver-hoogd dan zal dit moeten leiden tot een heffing bij de gebruiker. Voorts acht belanghebbende het onjuist dat er geen enkele tariefdifferentiatie is en wijst hij op de ongelijke behandeling met de jaren 1999 tot en met 2002.
De gemeente stelt zich op het standpunt dat elke garagebox als een afzonderlijk eigendom dient te worden aangemerkt. Daarmee wordt naar het oordeel van het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting nu het hof begrijpt dat de garageboxen elk voor € 46 per maand aan derden worden verhuurd. Van een gebruik als een geheel is dan geen sprake. Uit de verordening blijkt dat hier sprake is van een rioolgenotsrecht, waarbij de belastingplicht reeds ontstaat op grond van de enkele omstandigheid dat sprake is van een directe of indirecte aansluiting van een eigendom op de gemeentelijke riolering. Daardoor wordt naar het oordeel van het hof de gebruikswaarde van iedere garagebox verhoogd, zodat sprake is van genot. Nu blijkens de verordening de eigenaar als belastingplichtige wordt aangemerkt, is heffing bij de gebruiker niet aan de orde.
Het hof overweegt voorts dat een tariefdifferentiatie op grond van de Gemeentewet onder voorwaarden weliswaar toelaatbaar is, maar dat dit niet betekent dat het achterwege laten van zo’n differentiatie reeds tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing leidt. Er bestond voor de gemeente dan ook geen verplichting om een tariefdifferentiatie in te voeren. Gesteld noch gebleken is dat op andere gronden sprake zou zijn van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad. De door de belangheb-bende gestelde wanverhouding tussen de ontvangen huur en het tarief van de heffing is hiertoe onvoldoende.
Nu belanghebbende bij brief gemotiveerd is meegedeeld dat de gemeentelijke handelwijze inzake de heffing van rioolrechten met betrekking tot de garageboxen met ingang van het jaar 2003 niet zal worden gecontinueerd, kan belanghebbende niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat voor het jaar 2003 de heffing zou worden beperkt tot twee aanslagen rioolrecht. De aanslagen zijn terecht opgelegd.
DATUM:
07 april 2006
ECLI:
ECLI:NL:GHLEE:2006:AW1186
ZAAKNUMMER:
247/04
INSTANTIE:
Gerechtshof Leeuwarden
