Heffing bij verhuurder niet in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM

Aan belanghebbende zijn 18 aanslagen rioolrecht eigenaar 2007 opgelegd. Na bezwaar zijn de aanslagen door de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam gehandhaafd. De Rechtbank Rotterdam heeft de beroepen ongegrond verklaard. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Het middel van belanghebbende komt erop neer dat het oordeel van het EHRM in de zaak Hutten-Czapska/Polen (22 februari 2005 en 19 juni 2006, nr. 35014/97, EHRC 2005, 44 en EHRC 2006, 105) naar het oordeel van belanghebbende meebrengt dat van hem als eigenaar van verhuurde woningen geen rioolrecht mag worden geheven voor zover dat recht niet aan de huurders kan worden doorberekend.
De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het EHRM betrekking heeft op een samenstel van regels dat voor verhuurders in Polen leidde tot een structureel verliesgevende exploitatie van hun onroerende zaken. De regels die het rendement van verhuurde onroerende zaken in Nederland beïnvloeden zijn dusdanig anders van aard dat zij hiermee niet op één lijn kunnen worden gesteld. De stukken van het geding bevatten bovendien geen aanwijzingen dat die regels steeds leiden tot een buitensporige last voor de verhuurder. De omstandigheid dat - zoals belanghebbende heeft gesteld - verhuurders van goedkopere woningen een rendement behalen van 1-3% van de waarde in het economische verkeer, brengt nog niet mee dat sprake is van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. Voor zover belanghebbende tevens beoogt te betogen dat de Nederlandse regelgeving in dit geval leidt tot een zodanig laag rendement dat voor hem sprake is van een individuele buitensporige last, heeft hij dat betoog niet onderbouwd met feitelijke gegevens die voor de beoordeling ervan vereist zijn. Opmerking verdient nog dat, ook indien de regels die het rendement van verhuurde onroerende zaken in Nederland beïnvloeden zouden leiden tot een inbreuk op het Protocol, rechtsherstel daarvoor op verschillende manieren kan worden geboden. Een keuze uit die mogelijkheden vergt een afweging van de belangen van verhuurders, huurders en het algemene belang, waarbij met name ook dient te worden bepaald wie de kosten van het rechtsherstel dient te dragen. Een beslissing hierover vergt politieke keuzes, en behoort in verband daarmee niet tot de rechts-vormende taak van de rechter. Daarbij komt nog dat het niet onmiddellijk voor de hand ligt om compensatie voor een inbreuk op het Protocol aan verhuurders te verlenen door middel van een inperking van door de overheid aan die verhuurders in rekening te brengen bedragen ter zake van aan hen verleende diensten, zoals het onderhavige rioolrecht.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.