Klacht tegen ontbreken dwangsomprocedure leidt niet tot afzonderlijke procedure en proceskostenvergoeding
In cassatie bestrijdt belanghebbende het oordeel van de rechtbank dat het verzoek om toekenning van een dwangsom niet een van de inhoudelijke beroepsprocedure te onderscheiden afzonderlijke procedure vormt waarvoor een afzonderlijke proceskostenvergoeding moet worden toegekend. De middelen steunen op de opvatting dat in een geval waarin de inspecteur in gebreke is gebleven een dwangsombeschikking te geven, een daarover geuite klacht voor de toepassing van het Bpb als een afzonderlijk beroepschrift moet worden aangemerkt, ook als die klacht is opgenomen in een beroepschrift betreffende een belastingaanslag. Art. 4:19 Awb ziet volgens belanghebbende enkel op gevallen waarin daadwerkelijk een dwangsombeschikking is gegeven.
De Hoge Raad overweegt dat de middelen falen omdat het oordeel van de rechtbank juist is. Uit de tekst van art. 4:19 Awb en uit zijn wetsgeschiedenis volgt dat met deze bepaling is beoogd de proceseconomie te dienen. Met art. 4:19 Awb wordt bewerkstelligd dat de belanghebbende, onder meer in het geval dat hij beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar, geen aparte procedure bij de rechter hoeft te starten om bezwaren tegen de vaststelling van de hoogte van de dwangsom aan die rechter voor te leggen. De belanghebbende kan volstaan met het inbrengen van dergelijke bezwaren in die beroepsprocedure. Gelet hierop moeten klachten betreffende een op grond van art. 4:18 Awb vast te stellen dwangsombeschikking wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar, worden geacht deel uit te maken van het beroep inzake (het niet of niet tijdig nemen van) die beslissing. Dat geldt ook in een geval als dit, waarin die klachten zien op het niet (tijdig) vaststellen van die dwangsombeschikking. Ook in zo’n geval wordt met het aandragen van die klachten niet een aparte procedure bij de rechter gestart maar worden deze klachten ingebracht en behandeld in het kader van dat beroep.
DATUM:
24 mei 2019
ECLI:
ECLI:NL:HR:2019:787
ZAAKNUMMER:
18 02346
INSTANTIE:
Hoge Raad
