Heffing van meerdere eigenaren toegestaan

Belanghebbende is sinds 8 juli 2015 eigenaar van een gemeubileerde woning in de gemeente Schouwen-Duiveland en houdt de woning aan voor eigen gebruik, door hem of zijn gezin. Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een aanslag forensenbelasting opgelegd. Belanghebbende betoogt dat het beginsel van redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzet dat hij, evenals de vorige eigenaar van de woning, in de heffing van forensenbelasting over het jaar 2015 wordt betrokken. Volgens belanghebbende had een aanslag naar rato van tijd moeten worden vastgesteld.
Volgens de rechtbank is het juist dat bij een situatie zoals hier (verkoop recreatiewoning) het belastbare feit zich bij meerdere belastingplichtigen in één jaar kan voordoen. De rechtbank laat in het midden of de door belanghebbende aangehaalde parlementaire geschiedenis enige aanknopingspunten biedt voor de opvatting van belanghebbende dat het beter bij de bedoeling van de wetgever zou passen om in de bedoelde situatie de forensenbelasting tijdsevenredig te heffen.
Het hof heeft in de parlementaire geschiedenis geen duidelijke aanwijzing gevonden dat de wetgever, in geval van wijziging van eigendom gedurende het belastingjaar, de gemeenten heeft willen beperken tot een heffing van forensenbelasting naar tijdsevenredigheid. Dit volgt volgens het hof ook niet uit de tekst van de Gemeentewet en evenmin uit de verordening. Iedere natuurlijke persoon die, naast de overige voorwaarden, aan de 90 dagen drempel voldoet, kan aan de heffing van forensenbelasting worden onderworpen, zonder vermindering naar (eventuele) tijdsevenredigheid van de eigendom van de woning. Een zodanige heffing is naar het oordeel van het hof evenmin in strijd met algemene rechtsbeginselen. Of de heffing, zonder vermindering naar tijdsevenredigheid, wenselijk is en als rechtvaardig kan worden beschouwd, is een kwestie die niet ter beoordeling van de rechter staat. Ook de vraag of heffing van forensenbelasting nog wel te rijmen is met de rechtsgrond die van oudsher voor die heffing is aangevoerd, betreft in essentie de vraag naar de wenselijkheid van de in artikel 223 van de Gemeentewet vervatte bevoegdheid. Die rechtspolitieke vraag dient door de wetgever en niet door de rechter te worden beantwoord. Het hoger beroep is ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.