Vrijstelling bij samenloop toeristenbelasting
In de Verordening forensenbelasting van de gemeente Schouwen-Duiveland is een vrijstelling opgenomen in gevallen waarin toeristenbelasting wordt geheven. Belanghebbende stelt dat de forensenbelasting van hem wordt geheven naar een hoger bedrag dan wat hij in vergelijkbare omstandigheden aan toeristenbelasting verschuldigd zou zijn.
Het hof verstaat de grieven als een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen (nieuwsservice 2015, week 18), is de toetsing van de verordening niet zonder meer beperkt tot een toetsing aan in verdragen neergelegde rechtsbeginselen. Dat geldt in het bijzonder voor de in de verordening opgenomen vrijstellingsbepaling, aangezien daarin niet door de wetgever in formele zin is voorzien. De rechtsgevolgen van de vrijstelling kunnen zonder beperking worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen. Het hof stelt dat belanghebbende belastingplichtig is voor de forensenbelasting, maar niet voor de toeristenbelasting. Ook wordt of is er geen toeristenbelasting op hem verhaald. Uit de toelichting van de heffingsambtenaar blijkt dat met de vrijstelling wordt beoogd de dubbele heffing van forensenbelasting en toeristenbelasting te voorkomen in gevallen waarin zich voor beide heffingen een belastbaar feit voordoet. In het licht van die doelstelling bevindt belanghebbende zich niet in een situatie die feitelijk en rechtens vergelijkbaar is met gevallen waarin die bepaling leidt tot vrijstelling van forensenbelasting. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel moet in zoverre worden verworpen. Voor het overige berust belanghebbendes betoog op de opvatting dat, gezien de bedoelde vrijstelling, de gemeentelijke regelgever heeft beoogd de heffing van forensenbelasting niet hoger te doen zijn dan de heffing van toeristenbelasting. Voor die opvatting kan echter geen steun worden gevonden in de tekst van de verordeningen.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond met toepassing van art. 81 RO.
DATUM:
03 maart 2017
ECLI:
ECLI:NL:HR:2017:348
ZAAKNUMMER:
16/03285
INSTANTIE:
Hoge Raad
