Tenaamstelling van uitspraak op bezwaar bepaalt niet wie beroep kan instellen

Op 1 januari 2015 stond wijlen [X] als eigenaar van het pand in het Kadaster ingeschreven. De WOZ-beschikking is op naam gesteld van zijn erven. Één van de erven [C] heeft bezwaar gemaakt. De uitspraken op bezwaar zijn op naam van hem gesteld. De erven hebben vervolgens tegen deze uitspraken beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de uitspraken op bezwaar op naam van [C] en niet op naam van de erven zijn gesteld en de erven op grond hiervan niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van art. 1:2 Awb.
Het hof overweegt dat de tenaamstelling van de uitspraak op bezwaar niet bepaalt welke persoon (of personen) beroep kan (of kunnen) instellen tegen deze uitspraak. Blijkens art. 26a lid 1, onderdeel c, AWR kan beroep worden ingesteld door degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt. Dat zijn de erven, waaronder [C]. De gemachtigde heeft in beroep een machtiging overgelegd van de erven. Blijkbaar heeft de rechtbank niet getwijfeld aan de validiteit van deze machtiging, nu de rechtbank niet op de voet van art. 6:6 Awb gelegenheid tot herstel heeft geboden. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte het door de erven ingediende beroep niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover de rechtbank bedoeld heeft te beslissen dat eventuele andere erven dan [C] (nog) geen bezwaar hebben gemaakt, zodat zij om die reden (nog) niet kunnen worden ontvangen in beroep, heeft de rechtbank miskend dat dit in ieder geval niet geldt voor één van de erven namens wie beroep is ingesteld [C]. Het hof wijst de zaak terug naar de rechtbank.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.