Lager tarief voor leidingen t.b.v. nutsvoorzieningen is toegestaan
Belanghebbende is in de precariobelasting betrokken wegens het hebben van leidingen in gemeentegrond.
In eerste aanleg heeft Gerechtshof ’s-Gravenhage de aanslag vernietigd. Het daartegen door de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam ingediende cassatieberoep is door de Hoge Raad gegrond verklaard. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Gerechtshof Amsterdam voor de beoordeling van de vraag of het hanteren van lagere tarieven voor gasbuizen tot 10 bar, buizen voor waterleiding en stadsverwarming leidt tot een heffing die in strijd is met het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel.
Het hof oordeelt dat in beide gevallen sprake is van eenzelfde gebruik van gemeentegrond en dat daardoor beoordeeld moet worden of voor het ongelijk behandelen van die gevallen, door voor de ene categorie een hoger tarief vast te stellen dan voor de andere, een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestaat. Het hof is van mening dat gasbuizen tot 10 bar, buizen voor waterleiding en stadsverwarming dienen voor het transport van producten als aardgas, drinkwater en warmte die tot de eerste levensbehoeften moeten worden gerekend. Bij de andere buizen en leidingen is dit niet het geval.
Het hof acht aannemelijk dat het tariefverschil tussen beide soorten buizen en leidingen is ingegeven door de wens van de gemeentelijke wetgever om de prijsverhogende invloed van de precariobelasting op deze eerste levensbehoeften te beperken. Reeds bij de invoering van de onderhavige tariefstructuur per 1 januari 1985 is immers overwogen, dat het afschaffen van de voordien geldende vrijstelling voor buizen in gebruik en in eigendom van de gemeente, niet mocht leiden tot het verhogen van de tarieven van de toenmalige gemeentelijke nutsbedrij-ven. De doeleinden die destijds met die afschaffing werden nagestreefd, zoals beschreven door belanghebbende, doen aan de betekenis van die overweging geen afbreuk. Het hof acht die rechtvaardiging objectief en redelijk. Daaraan doet niet af dat door middel van de gasbuizen tot 10 bar, buizen voor waterleiding en stadsverwarming ook leveringen aan industriële bedrijven plaatsvinden. De gemeentelijke wetgever heeft destijds kunnen voorzien dat dit zich zou voordoen, maar daarin blijkbaar geen beletsel gezien om voor die buizen en leidingen toch een lager tarief vast te stellen. Het hof is van oordeel geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.
Ten aanzien van belanghebbendes beroep op schending van het evenredigheidsbeginsel merkt het hof op dat de gemeentelijke wetgever zowel bij het bepalen van de absolute hoogte van de precariobelasting als bij de verdeling daarvan over de belastingplichtigen een grote mate van vrijheid heeft. Zo kan de hoogte van de belasting (mede) afhankelijk worden gesteld van andere criteria dan de mate van gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeente-grond. Ook het uit beleidsoverwegingen hanteren van (sterk) verlaagde tarieven is toegestaan, mits de andere belastingplichtigen daardoor niet onevenredig worden benadeeld. Het hof is van oordeel dat dit laatste zich ten aanzien van belanghebbende niet heeft voorgedaan.
Het hof verklaart het beroep ongegrond.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgedaan m.t.v. artikel 81 RO.
DATUM:
21 mei 2010
ECLI:
ECLI:NL:HR:2010:BM5129
ZAAKNUMMER:
09/01952
INSTANTIE:
Hoge Raad
