Hoger beroep had ingediend moeten worden bij de Afdeling bestuursrechtspraak

Aan belanghebbende zijn één of meer aanslagen baatbelasting opgelegd, waartegen (uiteindelijk) geen rechtsmiddelen (meer) zijn aangewend en welke derhalve onherroepelijk vast staan. De Verordening baatbelasting is later na verwijzing onverbindend verklaard. Belanghebbende heeft aan B&W verzocht de betaalde aanslagen aan hem terug te betalen. De heffingsambtenaar heeft dit verzoek afgewezen. Het tegen deze brief gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij besluit op bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen en heeft bepaald dat vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden ingesteld. Belanghebbende is in hoger beroep gekomen.
Het hof oordeelt dat het besluit van de heffingsambtenaar niet ingevolge de belastingwet is genomen en evenmin een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26 van de AWR is. Daarom kan tegen de beslissing van de rechtbank geen hoger beroep bij het hof worden ingesteld. Ingevolge artikel 47 van de Wet op de Raad van State (tekst 2012) had belanghebbende het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak moeten instellen. Hieraan doet niet af dat de rechtbank in haar uitspraak als rechtsmiddel een hoger beroep bij het hof heeft aangewezen. Het hof verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen en zendt de zaak door aan de Afdeling bestuursrechtspraak.

 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.