Standpunt tot verschijnen arrest Hoge Raad pleitbaar
In hoger beroep twisten partijen over de vraag of de vergrijpboeten terecht zijn opgelegd. Belanghebbende voert onder andere aan dat sprake was van een zogenaamd ‘pleitbaar standpunt’.
Het hof oordeelt dat indien voor een standpunt – ook al wordt dit tenslotte onjuist bevonden – zodanige argumenten zijn aan te voeren dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene door dat standpunt in te nemen dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat belasting die op aangifte moet worden afgedragen niet is betaald, is sprake van een pleitbaar standpunt en kan geen boete ingevolge artikel 67f van de AWR worden opgelegd (vgl. HR 23 september 1992, nr. 27 293, BNB 1993/193 en HR 11 november 2005, nr. 40 421, LJN AU6018). De door belanghebbende in de naheffingstijdvakken gevolgde (en ten aanzien van die tijdvakken nadien niet door haar gecorrigeerde) handelwijze is naar het oordeel van het hof weliswaar onjuist, maar was objectief gezien in redelijkheid verdedigbaar (pleitbaar). Aan die pleitbaarheid is pas een einde gekomen vanaf het moment dat de Hoge Raad arrest heeft gewezen.
De omstandigheid dat in de betreffende periode de belastingkamers van alle gerechtshoven tot het oordeel zijn gekomen dat de gevolgde handelwijze onjuist is, maakt volgens het hof niet dat moet worden geoordeeld dat de door belanghebbende gevolgde handelwijze objectief bezien al op een eerder tijdstip niet langer redelijkerwijs verdedigbaar was.
Het hof is van mening dat de boeten ten onrechte zijn opgelegd en bevestigt de uitspraken van de rechtbank.
DATUM:
22 oktober 2009
ECLI:
ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1476
ZAAKNUMMER:
08/01039 en 08/01040
INSTANTIE:
Gerechtshof Amsterdam
