Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen
De rechtbank heeft aanleiding gezien de redelijke termijn in de bezwaarfase te verlengen met 3 maanden omdat tussen partijen in bezwaar overleg heeft plaatsgehad over de afwikkeling van de vele zaken van de gemachtigde.
Het hof overweegt dat er geen aanleiding is voor het op die grond verlengen van de redelijke termijn voor de bezwaarfase. Wel is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1, die een verlenging van de redelijke termijn in bezwaar en beroep rechtvaardigen. De gemachtigde heeft een zeer groot aantal (duizenden) bezwaarschriften ingediend bij de Belastingdienst. De bezwaren zien alle op de heffing van BPM voor de registratie van (gebruikte) personenauto’s in het Nederlandse kentekenregister. Deze procedures bevatten een aantal geschilpunten, die in wisselende samenstelling voorkomen. Dit geldt ook voor de vele beroepsprocedures die hierop zijn gevolgd. Het hof vindt in de verknochtheid van het grote aantal zaken aanleiding de duur van de redelijke termijn in bezwaar en beroep met 6 maanden (3 maanden voor iedere fase) te verlengen.. De overschrijding van afgerond 13 maanden is geheel toe te rekenen aan de beroepsfase. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van € 1.500 voor de beroepsfase. Het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende geen vergoeding voor immateriële schade toegekend wordt omdat sprake zou zijn van een zeer gering financieel belang, is gelet op HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292 en HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965 niet juist.
In cassatie richt belanghebbendes middel zich tegen het oordeel van het Hof dat zich voor de bepaling van de redelijke termijn van berechting een verknochtheid van zaken voordoet als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Het middel slaagt op grond van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 2.3 van zijn arrest van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623.
De Hoge Raad verhoogd de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep tot € 2.000.
DATUM:
04 oktober 2019
ECLI:
ECLI:NL:HR:2019:1510
ZAAKNUMMER:
18/05336
INSTANTIE:
Hoge Raad
