Aan overeenkomsten te ontlenen rechten zijn niet aan belanghebbende overgedragen
Belanghebbende, netbeheerder van een gas- en elektriciteitsnetwerk, stelt dat haar dochter-maatschappij belanghebbende is bij de aanslag precariobelasting en heeft daarom beroep mede namens de dochtermaatschappij ingesteld.
De rechtbank is, gelet op artikel 26a van de AWR en artikel 231 van de Gemeentewet van oordeel dat slechts door belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd beroep kan worden ingesteld. Niet is gebleken dat inkomens- of vermogensbestanddelen van de dochter-maatschappij zijn begrepen in het voorwerp van de belasting, zodat de dochtermaatschappij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het beroep namens de dochtermaatschappij is niet ontvankelijk.
Verder is de rechtbank van mening dat de door de gemeente gesloten overeenkomsten niet in de weg staan aan de heffing van belanghebbende. De dochtermaatschappij is de rechtsopvol-ger van de rechtspersonen met wie de gemeente in het verleden de overeenkomsten heeft gesloten. De aan de overeenkomsten te ontlenen rechten zijn niet aan belanghebbende overgedragen. De Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet hebben de overgang van die rechten evenmin bewerkstelligd (HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1270). Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat zij door bevrijdende verjaring in de zin van artikel 3:105 van het BW een recht van opstal op de kabels en leidingen heeft verkregen. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd, zodat die niet kan slagen.
DATUM:
19 januari 2017
ECLI:
niet gepubliceerd
ZAAKNUMMER:
AWB 16/762
INSTANTIE:
Rechtbank Gelderland
