Geen vervolgovereenkomst op raamovereenkomst
Belanghebbende exploiteert als netwerkbeheerder in de zin van artikel 10, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 en van artikel 2, eerste lid, van de Gaswet, een elektriciteits- en gasnet-werk in onder meer de gemeente Heerenveen. De heffingsambtenaar heeft een aanslag opgelegd van € 793.560. Belanghebbende is primair van mening dat de aanslag ten onrechte is opgelegd, omdat deze in strijd is met de tussen belanghebbende (althans haar rechtsvoorgan-gers) en de gemeente in 1920 gesloten overeenkomst. Met een beroep op deze overeen-komst stelt belanghebbende dat aan haar het niet-opzegbare recht is verleend tot het hebben van elektriciteitskabels in de gemeentegrond en dat daarom de heffingsambtenaars bevoegd-heid om precariobelasting te heffen ontbreekt.
De rechtbank is van oordeel dat de overeenkomst slechts een raamovereenkomst is. Uit de overeenkomst volgt dat voor het verlenen van een onopzegbaar zakelijk recht, zoals de heffingsambtenaar terecht stelt, een vervolgovereenkomst nodig is. Een dergelijke vervolg-overeenkomst heeft belanghebbende niet overgelegd en de door belanghebbende overgeleg-de lijst zegt niets over het bestaan van een vervolgovereenkomst. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er geen vervolgovereenkomst is, waardoor niet kan worden geoordeeld dat de gemeente een onopzegbaar zakelijk recht heeft verleend. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat de praktijk al meer dan 90 jaar uitwijst dat met de overeenkomst een onop-zegbaar zakelijk recht is gevestigd en dat nimmer door de heffingsambtenaar is aangegeven dat een vergoeding voor dat recht verschuldigd zou zijn. Hierdoor is het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat geen precariobelasting zou worden geheven, aldus belanghebbende. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat niet eerder precariobelasting is geheven, niet meebrengt dat die belasting ook in het betreffende jaar niet kan worden geheven. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aanneme-lijk gemaakt die bij haar de indruk zouden kunnen hebben gewekt dat ook in de toekomst geen precariobelasting van haar zou worden geheven.
DATUM:
09 juli 2015
ECLI:
ECLI:NL:RBNNE:2015:3343
ZAAKNUMMER:
13/1678
INSTANTIE:
Rechtbank Noord-Nederland
