Overeenkomst tussen Diemen en Amsterdam staat in de weg aan heffing

De heffingsambtenaar van de gemeente Diemen heeft aan belanghebbende, de gemeente Amsterdam, een aanslag precariobelasting opgelegd voor het hebben van waterleidingbuizen in de grond van de gemeente. Het bezwaar is ongegrond verklaard. De Rechtbank Amsterdam heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag vernietigd.
Het hof overweegt dat de gemeente Diemen alleen precariobelasting kan heffen als zij bevoegd is om als eigenaar van de grond tegen de aanwezigheid van de waterleidingbuizen op te treden. In 1934 hebben de gemeente Amsterdam en de gemeente Diemen een overeenkomst gesloten.
In hoger beroep voert de heffingsambtenaar aan dat de overeenkomst een publiekrechtelijke overeenkomst is die niet leidt tot de privaatrechtelijke plicht om te gedogen.
Het hof is van oordeel dat deze stelling, wat daarvan ook zij, niet meebrengt dat uit de over-eenkomst kan worden afgeleid dat de gemeente bevoegd is om op te treden tegen de aanwezigheid van de waterleidingbuizen. Anders dan de heffingsambtenaar betoogt kan niet worden aangenomen dat de overeenkomst alleen ziet op het aanleggen van de leidingen en niet op het hebben van leidingen in de grond. In de overeenkomst is immers bepaald dat de gemeente Diemen zich verbindt haar medewerking te verlenen voor het verkrijgen van de nodige vergunningen voor onder andere het in gebruik nemen en behouden van de buisleidin-gen. Verder is in de overeenkomst vermeld dat de gemeente zich verbindt aan derden geen vergunning te geven tot waterverdeling en waterlevering, noch zelf over te gaan tot waterleve-ring. Deze bepalingen in de overeenkomst zien naar het oordeel van het hof op het gebruik van de waterleiding, zodat de uitleg die de heffingsambtenaar aan de overeenkomst geeft in strijd is met de bewoordingen daarvan. Ook de door de heffingsambtenaar verdedigde opvattingen in hoger beroep dat de overeenkomst moet worden gezien als een eenzijdige bruikleenovereen-komst of concessie, slagen niet. Het hof begrijpt de door de heffingsambtenaar voorgestane kwalificaties van de overeenkomst aldus dat hij van mening is dat bij bruikleen of concessie de gemeente kan vorderen dat belanghebbende de buizen uit de grond verwijdert. Het hof is van oordeel dat uit de bepalingen en de bedoeling van de tussen partijen gesloten overeenkomst niet kan worden afgeleid dat de gemeente deze bevoegdheid heeft. Voor interpretatie van een leemte in de overeenkomst aan de hand van regels voor bijzondere overeenkomsten, is dan geen ruimte.
Het hof verklaart het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.