Rijksconcessie heeft geen functie of betekenis meer
De heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer heeft aan belanghebbende, de netbeheerder van het elektriciteitsnetwerk een aanslag precariobelasting opgelegd. In het verleden is tussen de gemeente en het provinciaal elektriciteitsbedrijf een regeling gesloten die eindigt als de rijksconcessie vervalt. Belanghebbende stelt dat de regeling nog steeds geldt, omdat de rijksconcessie niet is vervallen.
Het hof overweegt dat met de invoering van de Elektriciteitswet 1989 en de Wet Energiedistri-butie de functie en betekenis aan de rijksconcessies zijn komen te ontvallen. Het hof acht aannemelijk dat het bij de totstandkoming van de regeling de bedoeling is geweest van de gemeente en het provinciaal elektriciteitsbedrijf om deze niet meer te laten gelden indien de rijksconcessie geen functie of betekenis meer heeft, ongeacht de vraag of het tot een formele intrekking van de concessie is gekomen. De regeling heeft aldus geen gelding meer.
Verder oordeelt het hof dat belanghebbende toch al geen rechten aan de regeling kan ontle-nen, omdat zij niet de rechtsopvolger van het provinciaal elektriciteitsbedrijf is. Naar het oordeel van het hof volgt uit de omstandigheid dat belanghebbende netbeheerder is – en uit dien hoofde economisch eigenaar van de elektriciteitsnetwerken waarvan de opvolger van het provinciaal elektriciteitsbedrijf de juridisch eigenaar is – niet dat de rechten aan belanghebben-de zijn overgegaan. Dat belanghebbende enig bestuurder en enig aandeelhouder van de rechtsopvolger van het provinciaal elektriciteitsbedrijf is, maakt niet dat zij rechtstreeks in de rechten treedt. Dit volgt ook niet uit de wet Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet.
Uit de regeling kan ook niet worden afgeleid dat belanghebbende daaraan rechtstreeks een recht op vrijstelling van precariobelasting kan ontlenen, omdat de regeling een gedogen van de aanwezigheid van het elektriciteitsnetwerk inhoudt. Zo al van een gedogen sprake zou zijn, houdt dat niet in dat er geen precariobelasting geheven mag worden. Een dergelijk recht komt alleen de rechtsopvolger van het provinciaal elektriciteitsbedrijf toe. Dit houdt tevens in dat de vrijstelling in de verordening voor voorwerpen waarvoor een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen niet van toepassing is.
Naar het oordeel van het hof is er geen schending van het fair play beginsel dan wel het verbod van willekeur. Belanghebbende is netbeheerder, economische eigenaar van het netwerk en zij is degene die naar buiten treedt. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende aldus in redelijkheid als de belastingplichtige kunnen aanwijzen.
DATUM:
03 maart 2016
ECLI:
ECLI:NL:GHAMS:2016:919
ZAAKNUMMER:
15/00573
INSTANTIE:
Gerechtshof Amsterdam
