Geen gedoogplicht ten aanzien van het hebben van gasleidingen

Belanghebbende is eigenaar van het gastransportnet in Nederland en is verantwoordelijk voor het hebben, onderhouden en ontwikkelen van dat net. Belanghebbende meent dat heffing van precariobelasting achterwege dient te blijven omdat de gemeente Rotterdam het hebben van de gasleidingen als eigenaar van de grond dient te gedogen.
Het hof overweegt dat, anders dan belanghebbende betoogt, in de gesloten Overeenkomst geen (impliciet) recht tot het hebben onder, op of boven de gemeentegrond van alle daar reeds aanwezige en nog aan te leggen gasleidingen is verleend. Een dergelijk privaatrechtelijk ligrecht ligt evenmin besloten in de door de gemeente aan belanghebbende verleende vergunning. Dat daarin wordt gesproken van een “toestemming in de zin van het burgerlijk recht” leidt niet tot een ander oordeel.
Belanghebbende stelt dat de heffing beperkt moet blijven tot gastransportleidingen die uitsluitend worden gebruikt voor de levering van gas aan industriële verbruikers. Het hof overweegt dat in een vaststellingsovereenkomst is bepaald dat over gastransportleidingen, in eigendom of gebruik bij de belanghebbende, welke dienen voor levering van gas aan industriële verbruikers, precariobelasting kan worden geheven. Hierbij is niet het woord “uitsluitend” dat in een eerdere overeenkomst stond, opgenomen. Het hof concludeert hieruit dat de heffings-ambtenaar precariobelasting kon heffen ter zake van leidingen waarmee niet alleen aan industriële maar ook aan andere afnemers gas wordt geleverd. Volgens het hof voldoen alle in de heffing betrokken leidingen aan dit criterium.
Belanghebbende stelt nog dat de tarieven in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van onredelijke en willekeurige belastingheffing. Het hof concludeert dat het bedrag van de precariobelasting niet afhankelijk is gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Het staat de gemeente in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de reden voor het onderscheid in het tarief, inhoudende dat leidingen met een werkdruk van meer dan 10 bar zwaarder worden belast dan leidingen met een werkdruk van 10 bar of minder, is gelegen in de omstandigheid dat gasleidingen met een werkdruk van maximaal 10 bar worden gebruikt voor het transport van basisvoorzieningen als gas, water en warm water (voor stadsverwarming) naar de eindverbruikers (particulieren en bedrijven), en dat op deze wijze uitvoering wordt gegeven aan het gemeentelijk beleid om de beschikbaarheid van de basisvoorzieningen tegen een redelijke prijs te waarborgen. Van een dergelijke keuze kan niet worden gezegd dat deze iedere redelijke grond ontbeert.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.