Gemeente heeft gedoogplicht ten aanzien van de mantelbuizen

De heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk heeft aanslagen precariobelasting opgelegd voor het hebben op of in de ondergrond van de gemeente van 160.184 meter HDPE-buizen in 2002, 2003 en 2004. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard.
De Rechtbank Den Haag heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar en de aanslagen vernietigd.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de gemeente de gedoog-plicht heeft ten aanzien van de mantelbuizen die belanghebbende als aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk in de grond heeft. Er is geen reden de mantelbuizen niet te rekenen tot de (beschermingswerken van de) kabels als bedoeld in de Telecommunicatie-wet. Onder die omstandigheden is, gelet op de in artikel 5.1 van de Telecommunicatiewet neergelegde gedoogverplichting van kabels en beschermingswerken, voor heffing van preca-riobelasting in deze tijdvakken geen plaats. Bovendien kan belanghebbende aan het instem-mingsbesluit, waarin duidelijk de heffing van precariobelasting afhankelijk gesteld wordt van het niet voldoen aan de verplichting om uiterlijk een jaar na de datum van de afgifte van het besluit kabels “in de buizen te blazen”, het door haar gestelde in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen. De tekst van het instemmingsbesluit is ook in overeenstemming met de verwoor-ding van het beleid in de Notitie Telecommunicatiebeleid. Indien de gemeente van het beleid wenste af te wijken, had het op haar weg gelegen de afwijking in het instemmingsbesluit op te nemen opdat die voor belanghebbende kenbaar was. In het instemmingsbesluit is vermeld dat de buizen zijn aangelegd voordat de instemming is afgegeven. Daaruit kan belanghebbende, zonder dat dit uitdrukkelijk wordt vermeld, niet afleiden dat ter bepaling van de termijn waarop de precariobelasting geheven kan gaan worden een andere ingangsdatum geldt dan de datum van de afgifte van het besluit, zoals aan het slot van het besluit omtrent de belastingheffing is vermeld.
Het hof verklaart het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.