Verzending aannemelijk, tijdige beslissing ondanks strijd met artikel 6:17 Awb
De heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam heeft geen uitspraak gedaan in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 1 januari in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 januari op de bezwaren beslist. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar de verzending van de uitspraken op bezwaar aan belanghebbende en/of zijn gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt.
Uit het door de heffingsambtenaar overgelegde verzendbewijs van postnl blijkt dat door hem op 14 januari een aantal poststukken ter bezorging aan postnl is aangeboden. Niet aannemelijk is dat belanghebbende de uitspraken op bezwaar niet daags daarna heeft ontvangen. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende voor hem bestemde en aan hetzelfde adres verzonden aanslagbiljetten wel (op het juiste adres) heeft ontvangen. Dat de uitspraken op bezwaar in strijd met het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb niet zijn gezonden aan de gemachtigde, en daardoor niet op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, maakt niet dat zij niet tijdig zijn gedaan. Het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb strekt tot bescherming van de procedurele belangen van de belanghebbende en heeft daarmee een andere strekking dan de bepalingen inzake het tijdig beslissen, die tot doel hebben het verkrijgen van zekerheid omtrent de inhoudelijke positie van de belanghebbende tegenover het bestuursorgaan (vgl. HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969).
DATUM:
25 maart 2015
ECLI:
ECLI:NL:GHDHA:2015:964
ZAAKNUMMER:
AWB-14/452
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
