Te laat ingediend verweerschrift wordt niet geweigerd
De heffingsambtenaar van de gemeente Steenwijkerland heeft de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 319.000. Zowel het bezwaar als het beroep hiertegen zijn ongegrond verklaard. Belanghebbendes hoger beroepschrift bevatte niet de gronden van beroep. De griffier van het hof heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld dit verzuim uiterlijk op 1 september 2010 te herstellen en heeft erop gewezen dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen indien de gronden niet tijdig zouden worden ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 30 augustus 2010, ingekomen op 2 september 2010, de gronden ingediend.
Het hof stelt dat de door de griffier gestelde termijn, anders dan de wettelijke termijnen voor het indienen van bezwaar- en beroepschriften, niet het karakter van een fatale termijn draagt in die zin dat op een nadien ingekomen aanvulling in geen geval meer mag worden gelet (vgl. HR 27 februari 1952, B 9175; HR 26 oktober 1955, nr. 12 562, BNB 1955/391). Het hof acht het niet redelijk om in dergelijk geval, waarbij de gronden vóór het einde van de termijn ter post zijn bezorgd, en één dag na afloop van de termijn zijn ontvangen, het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
De griffier van het hof heeft de heffingsambtenaar driemaal een termijn gesteld voor het indienen van een verweerschrift, de laatste maal tot en met 23 november 2010. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 31 december 2010, ingekomen op 4 januari 2011, het verweerschrift ingediend.
Het hof zal het ruim na de termijn ingekomen stuk niet buiten beschouwing laten. Redengevend daarvoor is dat het stuk zo niet als verweerschrift, dan toch als een nader stuk in de zin van artikel 8:58 van de Awb in het geding dient te worden toegelaten. Bovendien heeft belanghebbende voldoende gelegenheid gehad van het stuk kennis te nemen en erop te reageren, zodat hij daardoor niet in zijn procesbelang is geschaad (vgl. HR 19 december 1990, nr. 26 576, BNB 1991/176).
De heffingsambtenaar verdedigt een waarde van € 307.000. Ter onderbouwing van deze waarde verwijst hij naar het taxatierapport, met dien verstande dat de daarin vermelde waarde per m³ van € 520 dient te worden gewijzigd in € 481. Ook volgens de heffingsambtenaar is de waarde van de onroerende zaak derhalve te hoog vastgesteld.
Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en vermindert de vastgestelde waarde tot € 307.000.
DATUM:
08 februari 2011
ECLI:
ECLI:NL:GHARN:2011:BP5051
ZAAKNUMMER:
10/00303
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem
