Inpandige opname wordt niet als hoorzitting aangemerkt
Tussen partijen is in geschil of de inpandige opname als een hoorzitting moet worden aangemerkt.
In art. 50 van de AWR is bepaald dat degene die een gebouw of grond in gebruik heeft verplicht is desgevraagd toegang te verlenen aan een door de ambtenaar aangewezen deskundige. Naar oordeel van het hof staat het die gebruiker in beginsel vrij om, zoals ook is geschied, zich gedurende deze periode (juridisch, taxatietechnisch of anderszins) te laten bijstaan door de fysieke aanwezigheid van een gemachtigde en/of een deskundige tijdens het bezoek van de door de heffingsambtenaar van BSR ingeschakelde deskundige. Verder staat het die gemachtigde in beginsel vrij om gedurende deze tijd te communiceren met de deskundige. Dit laat onverlet dat de heffingsambtenaar plaats en tijdstip van een hoorgesprek vaststelt (HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751). Bij deze vaststelling dient de heffingsambtenaar de betrokken belangen in redelijkheid af te wegen. Belanghebbende stelt dat in gevallen waarin de heffingsambtenaar een onroerende zaak door een deskundige inpandig laat taxeren, deze in redelijkheid niet kan besluiten dat een hoorgesprek plaatsvindt los van deze inpandige taxatie. Om deze reden moet de wisselwerking tussen de deskundige en de gemachtigde tijdens de inpandige taxatie, zo dit niet al een hoorgesprek was, naar zijn mening op één lijn worden gesteld met een hoorgesprek en had daarvoor een vergoeding moeten worden toegekend.
Het hof overweegt dat aan de gemachtigde vooraf expliciet is medegedeeld dat de inpandige opname niet als hoorgesprek zou worden aangemerkt in de zin van het Bpb. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar de grenzen der redelijkheid in dit geval niet heeft overschreden door het hoorgesprek niet gelijktijdig met de inpandige taxatie te laten plaatsvinden. De gemachtigde kon zijn op- of aanmerkingen tijdens een later hoorgesprek maken, waarbij het hof een hoorgesprek op een later tijdstip voor hem niet onredelijk bezwarend acht. De omstandigheid dat dit zou leiden tot een minder doelmatige afdoening is, wat hiervan verder zij, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
DATUM:
06 februari 2018
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2018:1138
ZAAKNUMMER:
17/00605
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
