Geen belang bij WOZ-beschikking

Belanghebbende is eigenaar geweest van een woning in de nabijheid van de N18. In verband met de aanleg, uitbreiding en reconstructie van de N18 heeft de Staat via een civielrechtelijke procedure de onteigening gevorderd van een gedeelte van belanghebbendes perceel met daarop de woning. Op 22 december 2015 is de onteigening geëffectueerd en is de Staat eigenaar geworden van het gedeelte van het perceel. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en verzocht te worden gehoord. De heffingsambtenaar van GBT heeft het bezwaar gegrond verklaard en de WOZ-waarde verminderd tot € 155.000. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende niet gehoord, omdat aan het bezwaar volledig is tegemoetgekomen.
In beroep stelt de heffingsambtenaar dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat belanghebbende geen belang had.
De rechtbank is van oordeel dat voor de beoordeling van het belang van belanghebbende als gebruiker aansluiting dient te worden gezocht bij het bepaalde in artikel 28, eerste lid, laatste zin, van de Wet WOZ. Slechts wanneer het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt en belanghebbende hierdoor in zijn individuele belang kan worden geraakt, is er een belang in deze zin. De omstandigheden die belanghebbende heeft aangevoerd voldoen niet aan dit criterium. Het wel of niet kunnen bouwen op zijn perceel hangt niet af van de WOZ-waarde van het perceel met daarop de woning. De onduidelijkheid over de perceelsoppervlakten leidt evenmin tot een belang, nu de beschikking van de heffingsambtenaar daarvoor niet doorslaggevend is en de heffingsambtenaar is uitgegaan van de gegevens in het kadaster. Ook de prijs die de Staat voor het perceel moet betalen, wordt niet beïnvloed door de WOZ-waarde, althans niet op grond van de wet. Verder is niet gesteld of gebleken dat aan belanghebbende gemeentelijke heffingen zijn opgelegd waarvan de hoogte afhankelijk is gesteld van de WOZ waarde van de woning. De heffingsambtenaar heeft terecht opgemerkt dat het bezwaar niet ontvankelijk had moeten worden verklaard. Omdat dit niet is gebeurd, is het beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende terecht heeft aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden, omdat er geen sprake is van het volledig tegemoetkomen aan het bezwaar. Er is geen kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar. De ontvankelijkheid diende getoetst te worden aan de mogelijke belangen van belanghebbende, waarvoor feiten van belang waren die deels pas in beroep helder zijn geworden. De rechtbank ziet wel aanleiding om de schending van de hoorplicht te passeren met toepassing van art. 6:22 van de Awb. Er is geen enkel belang bij terugwijzing naar de heffingsambtenaar.

 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.