Belangenafweging bij niet-ontvankelijkverklaring
Belanghebbende heeft een voorlopige aanslag zuiveringsheffing ontvangen van GBLT. In geschil is of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Het hof overweegt dat A is gemachtigd door de algemene vergadering van aandeelhouders om namens de vennootschap op te treden, terwijl die bevoegdheid toekomt aan het bestuur. De rechtbank heeft niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om alsnog een machtiging over te laten leggen, maar partijen uitgenodigd voor een zitting. Voorafgaand aan de zitting heeft A alsnog een machtiging overgelegd. Wanneer de vereiste machtiging pas na het verstrijken van de gegeven verzuimhersteltermijn is overgelegd, en de beslissende instantie op de voet van art. 6:6 Awb tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep zal overgaan, moet een afweging worden gemaakt van alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen. De rechtbank had in redelijkheid het beroep van belanghebbende niet niet-ontvankelijk mogen verklaren. Immers, nadat 4 dagen na het verstrijken van de termijn waarbinnen de machtiging had moeten worden overgelegd en meer dan 6 weken voorafgaand aan de zitting was vast komen te staan dat namens belanghebbende rechtsgeldig beroep was ingesteld, stond het geconstateerde verzuim een verder goed verloop van de procedure niet meer in de weg. Beide partijen waren ter zitting aanwezig en zijn ook inhoudelijk op de zaak ingegaan, zodat bij verdere behandeling van de zaak evenmin voor een benadeling van partijen behoefde te worden gevreesd. Het beroep is door de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
DATUM:
07 februari 2017
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2017:898
ZAAKNUMMER:
15/01592
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
