Terecht uitgegaan van aanneemsom voor heffing leges
Aan belanghebbende is ter zake van de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van woningen en winkels in de gemeente Brunssum een (definitieve) aanslag leges ter hoogte van € 351.770,42 opgelegd. Voor het hof is de beantwoording van een drietal vragen aan de orde:
I. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat de tariefstelling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing? Gelet op de recente uitspraken van de Hoge Raad van 30 juni 2017 en 8 december 2017 inzake het zaagtandtarief moet het antwoord op deze vraag volgens het hof ontkennend worden beantwoord.
II. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat de opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet is overschreden? Het antwoord deze vraag moet eveneens ontkennend worden beantwoord. Volgens belanghebbende is de raming van de opbrengsten niet redelijk geschied, maar uit de door de heffingsambtenaar overgelegde pagina’s uit de Programmabegroting 2014 blijkt dat bij de opbrengstraming voor 2014 met incidenteel hoge leges rekening is gehouden. De afwijking van de uiteindelijk gerealiseerde legesopbrengst (€ 626.600) ten opzichte van wat was begroot (€ 579.200) is ook niet zodanig groot dat de raming niet redelijk is geweest.
III. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat Normblad NEN 2631 en de UAV 2012 niet op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt? Uit de tekst van de tarieventabel volgt dat voor de bepaling van de heffingsmaatstaf primair wordt uitgegaan van de aannemingssom exclusief omzetbelasting en indien deze ontbreekt gebruik wordt gemaakt van een raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631. Het hof gaat hierbij eerst in op de vraag of de bouwkosten in het onderhavige geval zijn vastgesteld op de aannemingssom. Uit de gedingstukken blijkt dat door de aannemer een gespecificeerde begroting is opgesteld. Belanghebbende heeft het op basis daarvan becijferde bedrag aan bouwkosten ad € 7.831.245 doorgegeven aan de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft dit bedrag gevolgd. Het hof oordeelt dat aannemelijk is dat de aannemer zich voor het bedrag van € 7.831.245 heeft verbonden, en dat daarom sprake is van een aannemingssom. Omdat de heffingsambtenaar voor de bepaling van de heffingsmaatstaf overeenkomstig de tarieventabel is uitgegaan van de aannemingssom, komt het hof niet toe aan de beoordeling of normblad NEN 2631 op een juiste wijze bekend is gemaakt. Bovendien is de toegankelijkheid en kenbaarheid van de UAV 2012 naar het oordeel van het hof voldoende gewaarborgd en is het dan ook niet vereist dat de gemeente een dergelijk algemeen toegankelijk en beschikbaar document nogmaals (digitaal) publiceert. Ook de derde vraag moet ontkennend worden beantwoord.
DATUM:
15 maart 2018
ECLI:
ECLI:NL:GHSHE:2018:1137
ZAAKNUMMER:
16/03891
INSTANTIE:
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch
