Waarde niet te hoog vastgesteld
Belanghebbende, eigenaar van een agrarisch bedrijf met woning, heeft een WOZ-beschikking ontvangen. Hij stelt dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld, omdat de heffingsambtenaar bij de waardebepaling onvoldoende rekening heeft gehouden met de marktsituatie. Daarbij wijst hij op het besluit van de provincie Noord-Brabant om het terugdringen van de ammoniakuitstoot sneller te laten plaatsvinden.
De rechtbank overweegt dat de verwijzing door de heffingsambtenaar naar de Taxatiewijzer ‘Agrarische gebouwen’ met betrekking tot de waardepeildatum 1 januari 2017 onvoldoende is. In de kengetallen wordt geen rekening gehouden met de mate waarin de stallen aan de wettelijke eisen voldoen. Immers, deze kengetallen zijn afgeleid uit landelijke referentieobjecten. De rechtbank volgt wel de stelling van de heffingsambtenaar dat de wijziging in verband met de Verordening natuurbescherming dateert van na de waardepeildatum. Zonder nadere onderbouwing kan niet worden vastgesteld of al op 1 januari 2017 kon worden voorzien dat het terugdringen van de ammoniakuitstoot in de provincie Noord-Brabant sneller zou plaatsvinden. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Maar ook als dit op de waardepeildatum al kon worden voorzien, is het onduidelijk of en zo ja, welke invloed dit zou hebben op de marktwaarde, omdat het vertrouwen van de melkveehouders al negatief was.
DATUM:
11 juni 2019
ECLI:
ECLI:NL:RBOBR:2019:3134
ZAAKNUMMER:
18/2482
INSTANTIE:
Rechtbank Oost-Brabant
