Bij de prijsbepaling is met aardbevingsrisico voldoende rekening gehouden
Belanghebbende is van mening dat de referentieobjecten niet bruikbaar zijn, omdat niet bekend is of deze objecten een aardbevingsschadehistorie kennen. Objecten met schadehistorie hebben per definitie een lagere waarde dan objecten zonder schadehistorie, aldus belanghebbende.
De rechtbank overweegt dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde referentieobjecten zijn verkocht tussen 21 oktober 2014 en 8 april 2016. In die periode was algemeen bekend dat bij woningen in het aardbevingsgebied een risico is op, ook (zeer) krachtige, aardbevingen en dus op aardbevingsschade. De werking van de markt voor woningen zorgt ervoor dat alle beschikbare informatie over dit risico wordt verzameld, gewogen en uiteindelijk wordt ingeprijsd. De rechtbank is daarom van oordeel dat bij obligatoire koopovereenkomsten in die periode bij de prijsbepaling met dit risico rekening is gehouden. Of het (de) vergelijkingsobject(en) zelf een schadehistorie ken(t)(nen), maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat er relatief kleine - cosmetische – schade is, nu niet gesteld is dat er constructieve schade is en dat die schade in 2015 is hersteld. Het oordeel van de rechtbank had anders kunnen luiden indien ten aanzien van de te waarderen onroerende zaak sprake is van een meer omvangrijke schadehistorie of als sprake is (geweest) van constructieschade, terwijl de vergelijkingsobjecten geen dergelijke schadehistorie en of constructieschade hebben.
DATUM:
10 augustus 2017
ECLI:
ECLI:NL:RBNNE:2017:3073
ZAAKNUMMER:
AWB*16/4846
INSTANTIE:
Rechtbank Noord-Nederland
