Heffingsambtenaar niet verplicht om hotel te waarderen op grond van taxatiewijzer
Belanghebbende heeft een WOZ-beschikking ontvangen waarbij de heffingsambtenaar van het SVHW de waarde van een hotel heeft vastgesteld op € 2.679.000. Belanghebbende stelt dat deze waarde € 2.499.000 bedraagt.
Het hof overweegt dat op grond van art. 4 lid 1, aanhef en onderdeel b Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ bij niet-woningen de waarde kan worden bepaald door middel van de huurwaarde-kapitalisatiemethode. Volgens belanghebbende heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is, omdat hij ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de Landelijke Taxatiewijzer voor hotels. De heffingsambtenaar is echter niet verplicht om deze taxatiewijzer te hanteren, omdat deze niet meer zijn dan een hulpmiddel om de waarde als bedoeld in art. 17 Wet WOZ vast te stellen. De toetssteen blijft de waarde zoals daarin omschreven en de waarde kan ook op andere manieren worden bepaald. Belanghebbende betwist de huurwaarde en de kapitalisatiefactor van de heffingsambtenaar niet. Hoewel het huurcijfer meer dan een jaar voor de waardepeildatum tot stand is gekomen, acht de rechtbank dit bruikbaar aangezien het huurcijfer van de onroerende zaak zelf betreft. In het huurcontract is een koopoptie opgenomen met als voorwaarde dat de huurder dan 13 maal de geldende jaarhuur zal betalen. Hieruit kan een kapitalisatiefactor van 13 worden afgeleid, terwijl verweerder een factor van 10,5 heeft aangehouden. De heffingsambtenaar heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is. Wat belanghebbende daar verder nog tegen aanvoert doet hier niets aan af.
DATUM:
06 juni 2018
ECLI:
ECLI:NL:RBROT:2018:4381
ZAAKNUMMER:
ROT 17/5047
INSTANTIE:
Rechtbank Rotterdam
