Herzieningsverzoek is kennelijk ongegrond
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag forensenbelasting 2002 opgelegd. Bezwaar, beroep en hoger beroep zijn ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie, onder verwijzing naar artikel 81 RO ongegrond verklaard. Vervolgens heeft belanghebbende bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de aanslagen forensenbelasting 2002, 2003, 2004 en 2006. De rechtbank heeft het beroep, na te hebben overwogen dat de aanslagen inmiddels onherroepelijk vaststaan en dat belanghebbende heeft bevestigd dat er geen uitspraak op bezwaar is waartegen het beroep is gericht, niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Belanghebbende heeft hierna een brief gestuurd aan het hof, die door het hof is aangemerkt als een beroep in cassatie en is doorgezonden aan de Hoge Raad. Het hof heeft de brief ook aangemerkt als een verzoek tot herziening van zijn uitspraak.
De brief en de stukken van het geding waarin het hof zijn uitspraak heeft gedaan, laten geen andere conclusie toe dan dat de door belanghebbende genoemde feiten en omstandigheden haar reeds bekend waren of redelijkerwijs bekend konden zijn vóór de uitspraak van het hof. Dit wordt niet anders door hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot deze feiten en omstandigheden. Het herzieningsverzoek is kennelijk ongegrond.
DATUM:
03 augustus 2016
ECLI:
ECLI:NL:GHDHA:2016:2354
ZAAKNUMMER:
BK-16/00126
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
