Ontheffing art. 8a.51 Wet luchtvaart
Belanghebbende heeft bij de provincie Overijssel een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in art. 8a.51 Wet luchtvaart ingediend. Een op deze aanvraag verleende ontheffing geeft afhankelijk van de aanvraag voor 1 tot 12 dagen per kalenderjaar het recht op het gebruik door een luchtvaartuig van een terrein dat geschikt is voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik (TUG). Belanghebbende stelt dat de leges te hoog en disproportioneel zijn. De kosten voor een helikoptervlucht van circa € 700 worden verhoogd met € 634. Deze kostenverhoging is voor de helikoptersector niet te dragen, terwijl de ontheffing voor een helikopterbedrijf als belanghebbende wel noodzakelijk is om haar product aan te bieden.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie over gemeentelijke leges (o.m. HR 24 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3345 en Hof Arnhem-Leeuwarden 11 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3080) tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds geen rechtstreeks verband is vereist. Dat de hoogte van de leges financiële gevolgen zou kunnen hebben voor helikopterbedrijven in Nederland, kan de rechtmatigheid van de legesaanslag niet kan raken.
Het staat de rechtbank niet vrij om over de hoogte van het tarief te oordelen, tenzij het tarief leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het aan de lagere overheden toekennen van de bevoegdheid tot belastingheffing niet voor ogen kan hebben gehad. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Ten slotte heeft belanghebbende gesteld dat de provincie voor 2016 ten onrechte is uitgegaan van een vermindering van de rijksbijdrage voor de taken in het kader van de Wet RBML. In het overleg van onder meer belanghebbende met de provincie is door de provincie aangegeven dat de rijksbijdrage voor 2016 niet is verminderd. Omdat de rijksbijdrage niet voor 100% in de legesbedragen is doorberekend, heeft belanghebbende een te hoog bedrag aan leges betaald. De rechtbank overweegt dat op grond van art. 225 lid 1 Pw in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in art. 223 lid 1 worden geheven, de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. De heffingsambtenaar heeft uiteengezet dat bij de raming van de baten en lasten voor 2016 ervan is uitgegaan dat de rijksbijdrage zou worden verminderd. Dat ná het vaststellen van de legestarieven is gebleken dat de rijksbijdrage anders zou uitvallen, doet aan de redelijkheid van de raming niet af.
DATUM:
17 november 2017
ECLI:
ECLI:NL:RBOVE:2017:4306
ZAAKNUMMER:
17/1016
INSTANTIE:
Rechtbank Overijssel
