Heffingsambtenaar heeft de waarde van 47 winkelunits onvoldoende onderbouwd
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor 47 winkelunits, die deel uitmaken van een winkelcentrum, aanslagen OZB opgelegd. In geschil is de WOZ-waarde van de winkelunits en de daarop gebaseerde aanslagen OZB.
De rechtbank heeft, met uitzondering van één winkelunit, de WOZ-waarden en de aanslagen OZB verlaagd.
Het hof overweegt dat de heffingsambtenaar met betrekking tot 7 van de 11 door hem genoemde vergelijkingsobjecten niet over verkoopcijfers beschikt en deze daarom met behulp van de DCF-methode heeft berekend. Het hof oordeelt dat zijn aannames over de disconteringsvoet en de toekomstige inkomsten en uitgaven niet inzichtelijk zijn gemaakt en hij slaagt aldus niet in zijn bewijslast. Van de 4 door de heffingsambtenaar gebruikte verkoopcijfers zijn er drie niet onderbouwd met objectieve, verifieerbare gegevens en daardoor onbruikbaar. Het enige bruikbare verkoopcijfer wordt negatief beïnvloed doordat dit circa 2 jaar vóór de waardepeildatum is gerealiseerd. De heffingsambtenaar is niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de waarden niet te hoog zijn. Het hof oordeelt dat, nu het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond is, belanghebbende niet zelf principaal hoger beroep heeft ingesteld en het door haar ingestelde incidentele hoger beroep niet ontvankelijk is, hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet tot een verlaging van de gezamenlijke waarde van de winkelunits kan leiden, nog daargelaten dat het geschil in hoger beroep niet de gezamenlijke waarde van de 47 winkelunits, maar de 47 waarden van de afzonderlijke winkelunits betreft. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
DATUM:
21 augustus 2018
ECLI:
ECLI:NL:GHDHA:2018:2176
ZAAKNUMMER:
BK-18/00426 t/m BK-18/00472
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
