Fiscale rechter onbevoegd bij heffing recht wegens aanvraag VOG

De heffingsambtenaar van de gemeente Maasgouw heeft € 30,05 in rekening gebracht voor een aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Belanghebbende is van mening dat de dienst niet een rechtstreeks en in overheersende mate individualiseerbaar belang dient en dat de in rekening gebrachte kosten hoger zijn dan de kostprijs.
Naar het oordeel van het hof is de vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 39 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens niet een ingevolge de belastingwet genomen besluit, omdat de Wet noch het besluit daarbij, noch de Regeling leges VOG als belastingwet is aan te merken in de zin van artikel 1 van de AWR. Bij of krachtens de Wet is evenmin hoofdstuk V van de AWR van toepassing verklaard. De vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 39 van de Wet is ook niet aangeduid als een gemeentelijke belasting, zodat artikel 231 van de Gemeentewet toepassing mist. Artikel 229, tweede lid, van de Gemeentewet ziet uitdrukkelijk slechts op die gemeentelijke heffingen die in ingevolge het eerste lid van dat artikel worden geheven. De omstandigheid dat, zoals hier, in de bij een Legesverordening behorende Tarieventabel een tarief voor een VOG is opgenomen maakt dit niet anders. Gelet hierop is het besluit van de heffingsambtenaar niet een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26 van de AWR. De rechtbank heeft op het beroep van belanghebbende kennelijk als algemene bestuursrechter uitspraak gedaan. Derhalve kan tegen de beslissing van de rechtbank geen hoger beroep bij de belastingkamer van het hof worden ingesteld. Hieraan doet niet af dat de rechtbank in haar uitspraak als rechtsmiddel een hoger beroep bij het hof heeft aangewezen. Naar het oordeel van het hof is de nota/aanslag wel een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar en beroep open staat bij (de bestuursrechter van) de rechtbank en vervolgens ingevolge artikel 47 van de Wet op de Raad van State hoger beroep mogelijk is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het bestreden besluit is naar oordeel van het hof genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat niet is opgenomen in de ‘negatieve lijst’ als bedoeld in artikel 8:5 van de Awb. Belanghebbende had dan ook het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank moeten instellen bij die Afdeling bestuursrechtspraak. Het hof verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen. Het hof zendt het hoger beroepschrift door aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.