Beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt
Aan belanghebbende is een WOZ-beschikking afgegeven door de heffingsambtenaar van de gemeente Westland. Belanghebbende stelt dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld en beroept zich op het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt bij de bepaling van de waarde van de woning heeft te gelden het bedrag waarvoor belanghebbende de woning heeft gekocht. Belanghebbende doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel om een lagere WOZ-waarde aannemelijk te maken. Het hof verwerpt het beroep op de meerderheidsregel, omdat uit de matrices van de heffingsambtenaar, waarin de verschillen tussen de woning en de door belanghebbende genoemde objecten zijn weergegeven, blijkt dat de daarin genoemde woningen niet vrijwel identiek zijn. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan ook slagen wanneer de heffingsambtenaar zonder reden afwijkt van door hem bij de waardebepaling gevoerd beleid. Hiervan is sprake omdat de gemeente een ingroeibeleid toepast in het geval, zoals hier, in een rijtje min of meer soortgelijke woningen een woning recent is verkocht. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix blijkt dat bij de woning van belanghebbende niet eenzelfde waarde per m3 inhoud voor het hoofdgebouw is gehanteerd als bij drie andere woningen. Een gerechtvaardigde verklaring, behoudens het ingroeimodel, is daarvoor niet gegeven. De heffingsambtenaar is in dit geval bij de waardebepaling van het object van belanghebbende zonder reden afgeweken van zijn waardebepalend beleid. Belanghebbende heeft in dit opzicht terecht een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan.
DATUM:
25 juni 2019
ECLI:
ECLI:NL:GHDHA:2019:1840
ZAAKNUMMER:
BK-18/1005
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
