Geen interne verbouwing maar nieuwbouw, onduidelijke digitale vergunningscheck
Belanghebbende heeft een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het verbouwen van een woning en het realiseren van een kelder onder de bestaande aanbouw. Belanghebbende is van mening dat de kelder als interne verbouwing kan worden aangemerkt. Volgens de heffingsambtenaar van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten is sprake van nieuwbouw.
De rechtbank overweegt dat de kelder op de plaats waar dit gedeelte van het bouwwerk is gerealiseerd eerder nog niet bestond. Verder heeft belanghebbende niet weersproken dat voor het realiseren van de kelder een verandering van de draagconstructie noodzakelijk was. Dit betekent dat de heffingsambtenaar terecht heeft geconcludeerd dat wat betreft de aanleg van de kelder geen sprake was een wijziging van een reeds bestaande kelder. Dat, zoals belanghebbende stelt, op een andere plek al een kelder aanwezig was, maakt dit niet anders. Verder is belanghebbende van mening dat een legesverhoging vanwege legaliseringswerkzaamheden niet is toegestaan.
De rechtbank stelt voorop dat de heffingsambtenaar in beginsel op grond van de Legesverordening in samenhang met de Tarieventabel bevoegd is om leges te heffen, indien de aanvraag wordt ingediend na de aanvang of het gereedkomen van de bouwactiviteit en de aanvraag aldus dient ter legalisatie van het zonder die vergunning gerealiseerde bouwwerk (Hoge Raad 17 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1253). De werkzaamheden van het gemeentebestuur bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag houden immers rechtstreeks en in overwegende mate verband met het individuele belang van de aanvrager, zodat er ook sprake is van een in overwegende mate ten behoeve van het individuele belang van de aanvrager verstrekte dienst. Daarbij komt de bevoegdheid tot het vaststellen van de tarieven, dus ook de hoogte van de tarieven voor het achteraf indienen van een aanvraag ter legalisatie, op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet toe aan de gemeenten zelf. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de architect van belanghebbende op verschillende momenten met ambtenaren van de gemeente overleg heeft gehad over het al dan niet noodzakelijk zijn van een omgevingsvergunning. Op grond van die gesprekken en de uitgevoerde digitale vergunningscheck via het omgevingsloket, heeft belanghebbende geconcludeerd dat een omgevingsvergunning niet noodzakelijk was. Eerst na controles ter plaatse is gebleken dat de bouwactiviteiten niet vergunningvrij waren. De heffingsambtenaar heeft erkend dat de digitale vergunningscheck door de burger als onduidelijk werd ervaren. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is komen vast te staan dat in dit specifieke geval geen sprake was van een situatie waarin belanghebbende willens en wetens en zonder voorafgaand overleg met de gemeente is begonnen met het realiseren van het bouwwerk. De heffingsambtenaar heeft de extra leges ten onrechte in rekening gebracht.
DATUM:
26 november 2014
ECLI:
ECLI:NL:RBOBR:2014:7162
ZAAKNUMMER:
14/398
INSTANTIE:
Rechtbank Oost-Brabant
