Het afgebakende gebied is in redelijkheid logisch en samenhangend
Belanghebbende stelt dat de vaststelling van de BI-zone niet voldoet aan het vereiste dat het een logisch en samenhangend geheel moet zijn en dat er geen aantoonbare relatie bestaat tussen de onroerende zaak en de ontplooide activiteiten. Belanghebbende meent dat de Verordening onverbindend is.
De rechtbank overweegt dat voor wat betreft de afbakening van het gebied in de Wet BIZ geen nadere regels worden gegeven. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat sprake dient te zijn van een logisch afgebakend gebied van een bepaalde omvang, bijvoorbeeld een winkelstraat, centrumgebied of bedrijventerrein en dat het aan de gemeente is om te oordelen of de afbakening van het gebied een logisch en samenhangend geheel vormt (Kamerstukken II, 2007/2008, 31 430, nr. 6, p. 10). Gelet hierop heeft de gemeentelijke wetgever een ruime beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van de omvang van het gebied waarbinnen de BIZ-bijdrage zal worden geheven. De rechtbank dient de door de gemeenteraad gemaakte keuze te respecteren, tenzij de gemeentelijke wetgever bij de afbakening van het gebied de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden. Hiervan is in dit geval geen sprake. Het winkelcentrum is het uitgangspunt voor de BI-zone. De onroerende zaak grenst aan het parkeerterrein van het winkelcentrum, maar ligt niet zo ver weg van het winkelcentrum dat het in redelijkheid onlogisch zou zijn om de apotheek bij de BI-zone te betrekken.
DATUM:
12 januari 2017
ECLI:
ECLI:NL:RBROT:2017:248
ZAAKNUMMER:
16/1077
INSTANTIE:
Rechtbank Rotterdam
