Hof vernietigt aanslag omdat ondernemer geen stembiljet heeft ontvangen

Belanghebbende is ondernemer en maakt gebruik van een bedrijfsunit in een verzamelgebouw met 17 vergelijkbare units. Belanghebbende stelt dat hij niet van de voorgenomen invoering op de hoogte was en geen stembiljet heeft ontvangen. Ook indien belanghebbende zou hebben tegengestemd, zou het aantal voorstemmers voldoende zijn geweest om de verordening in werking te laten treden. Nu de gemeente Breda niet heeft bewezen dat het stembiljet aan belanghebbende is verzonden, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende niet in de gelegenheid is gesteld om zich vóór of tegen de inwerkingtreding van de Verordening BI-zone uit te spreken, zoals het tweede lid van artikel 4 van de Experimentenwet BI-zones vereist. De rechtbank leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat de mogelijkheid voor alle bijdrageplichtigen om zich uit te spreken wezenlijk is. De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende door de publicatie van de Verordening in beginsel bekend had kunnen zijn met het voornemen tot instelling van een BI-zone in het industriegebied waarin de unit gevestigd is. Doordat belanghebbende tot die datum blijkbaar niet was geïnformeerd, is hem echter de mogelijkheid ontnomen om invloed uit te oefenen op de invoering en hoogte van de bijdrage. Doordat aan belanghebbende geen stembiljet is toegezonden, is hem de mogelijkheid ontnomen om te stemmen, maar ook om rond de datum van stemming andere potentiële bijdrageplichtige te mobiliseren om tegen de Verordening te stemmen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er een zodanige schending van artikel 4 van de Experimentenwet BI-zones is dat de Verordening ten aanzien van belanghebbende onverbindend is.
Naar het oordeel van het hof is geen sprake is van een juiste draagvlakmeting. Vast is komen te staan dat meerdere bijdrageplichtigen niet in de gelegenheid zijn gesteld vergaderingen, alsmede de stemming over het instellen van een BI-zone bij te wonen. Dit betekent dat artikel 4 van de Wet BIZ is geschonden. Voorts vat het Hof belanghebbendes stelling, dat de “telling bij de vergadering” niet terecht is geweest, op als een beroep op schending van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet BIZ en stelt vast dat bij de draagvlakmeting niet beoordeeld is of voldaan is aan de toets van de WOZ-waarden. De Verordening is ten aanzien van belanghebbende onverbindend. Hieraan doet niet af dat belanghebbende de inwerkingtreding van de Verordening niet had kunnen tegenhouden door tegen te stemmen.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.