Uitleg verhuurbemiddelingsovereenkomst

Belanghebbende heeft een verhuurbemiddelingsovereenkomst gesloten voor zijn recreatiewoning. De overeenkomst is later aangevuld met een bepaling waarin het eigen gebruik is gemaximeerd tot 90 dagen op jaarbasis. De aanvulling op de overeenkomst laat naar het oordeel van het hof redelijkerwijs geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende de woning gedurende niet meer dan 90 dagen beschikbaar kon houden voor gebruik door hemzelf of zijn gezin. Daarbij komt nog dat belanghebbende of zijn gezin de woning ook daadwerkelijk niet meer dan 90 dagen heeft gebruikt. Er is sprake van aan derde toegekende rechten van verhuur (HR 24 juli 1995, nr. 30 470, LJN AA1657). De omstandigheid dat de woning in delen van het jaar waarin belanghebbende haar niet zelf heeft gebruikt noch voor eigen gebruik heeft gereserveerd niet steeds is verhuurd, maakt dit niet anders, evenmin als de omstandigheid dat belanghebbende bij het reserveren voor eigen gebruik van de woning in de loop van het jaar kon kiezen uit alle dagen waarop de woning nog niet was verhuurd. Een overeenkomst kan volgens het hof slechts als een schijnhandeling worden aangemerkt indien door afwijking tussen wil en verklaring van de contracterende partijen de schijn wordt gewekt dat zij een overeenkomst hebben aangegaan terwijl zij in werkelijkheid hun rechtsverhouding anders hebben geregeld. Hetgeen de heffingsambtenaar heeft gesteld ter onderbouwing van zijn standpunt dat de aanvulling verhuurbemiddelingsovereenkomst een schijnhandeling is, kan, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, dit standpunt naar het oordeel van het hof niet dragen. Aan dit oordeel doet niet af dat belanghebbende, noch de bemiddelingsorganisatie belang had bij de aanvulling. Het ontbreken van een belang, wat daar overigens van zij, is onvoldoende om op grond daarvan te oordelen dat er sprake is van afwijking tussen wil en verklaring van de contracterende partijen (nieuwsservice 2014, week 9). Volgens de A-G houdt het oordeel van het hof in dat hier sprake is van reëel te achten door de eigenaar, aan een derde, toegekende rechten van verhuur en bemiddeling, en overige omstandigheden die voeren tot het oordeel dat de recreatiewoning niet meer dan 90 dagen aan belanghebbende ter beschikking stond (nieuwsservice 2015, week 6).
Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 24 juli 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1657) en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.