Niet inschrijving GBA, maar feitelijk gebruik is doorslaggevend

De heffingsambtenaar van de gemeente Ede heeft een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd naar het tarief voor gebruik van een perceel door meer personen. Naast belanghebbende staat tevens haar zoon op het adres in de GBA ingeschreven. Belanghebbende stelt dat zij alleen in de woning woont. De heffingsambtenaar stelt dat de gegevens in de GBA leidend zijn voor de vaststelling van de gebruikers van een perceel en het daarbij toepasselijke tarief.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar in beginsel bij het vaststellen van de aanslag mag uitgaan van het aantal personen dat is ingeschreven bij de GBA. Bij twijfel over de juistheid van een gegeven of als een behoorlijke taakvervulling door de afnemer dat meebrengt, worden andere, wel juiste gegevens gebruikt. In dit kader is mede van belang dat de Wet milieubeheer, waarop de afvalstoffenheffing is gebaseerd, het gebruik van de GBA niet als dwingende heffingsmaatstaf voorschrijft. Voorts is in de Verordening voor de heffingsmaatstaf doorslaggevend het “gebruik van het perceel” en niet de inschrijving op het adres.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat haar zoon niet kan worden aangemerkt als gebruiker van het perceel. De rechtbank hecht belang aan de verklaring van belanghebbende dat haar zoon samen met zijn dochter in Duitsland woont en daar bij een hotel/bistro werkt. Zij heeft hierbij gewezen op een verklaring van de Duitse gemeente dat haar zoon ingeschreven staat in het ‘Melderegister’, dat vergelijkbaar is met de GBA in Nederland. Hieraan doet niet af dat de zoon van belanghebbende zich op grond van artikel 48 van de Wgba op haar adres had moeten uitschrijven op het moment dat hij naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste 8 maanden in het buitenland zou verblijven. Belanghebbende heeft geloofwaardig verklaard, hetgeen niet door de heffingsambtenaar is weersproken, dat haar zoon bij zijn vertrek eind jaren 90 ingeschreven is gebleven in de GBA in verband met de belemmeringen die destijds bestonden om na uitschrijving op een later moment weer in Nederland te gaan wonen en hij voorts niet op de hoogte was van de verplichting om zich uit te schrijven. Belanghebbende heeft voorts verklaard dat haar zoon het adres enkel gebruikt als postadres en hoogstens 2 weken per jaar op bezoek komt en bij haar verblijft. De rechtbank is op basis hiervan van mening dat de zoon van belanghebbende niet kan worden aangemerkt als gebruiker van het perceel.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag.

 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.