Belastingheffing ten aanzien van kantoor
De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag heeft aan belanghebbende een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd. Belanghebbende is van mening dat de aanslag ten onrechte is opgelegd, omdat zij het object als kantoor gebruikt en daar niet woont, niet staat ingeschreven in de GBA en er geen huishoudelijke afvalstoffen ontstaan. Belanghebbende heeft bevestigd dat het object een regulier appartement is met een keuken, toilet en badkamer.
De rechtbank heeft overwogen dat vast staat dat er een perceel is in de zin van de Wmb. Dat het object door belanghebbende uitsluitend wordt gebruikt als kantoor, maakt niet dat het object niet langer is bestemd voor bewoning. Het enkele feit dat belanghebbende het object daadwerkelijk gebruikt, brengt mee dat geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 10.21 van de Wmb. Dat er feitelijk nauwelijks afval ontstaat, is voor de heffing niet van belang. Ten aanzien van belanghebbendes stelling dat sprake is van dubbele belastingheffing overweegt de rechtbank dat afvalstoffenheffing wordt geheven voor het daadwerkelijk inzamelen van afval ten aanzien van een perceel en dus niet gekoppeld is aan de persoon die de belasting moet betalen. Dit brengt mee dat een persoon die meerdere percelen gebruikt ook meerdere aanslagen kan krijgen.
Het hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat sprake is van dubbele belastingheffing omdat de gemeente voor 2014 zowel met betrekking tot het appartement als met betrekking tot de woning aan haar een aanslag afvalstoffenheffing heeft opgelegd. Voor zover het standpunt van belanghebbende tevens moet worden opgevat als een beroep op het beginsel dat gelijke gevallen gelijk en ongelijke gevallen naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk moeten worden behandeld, baat zij belanghebbende evenmin. Daarbij overweegt het Hof dat de belastingplichtigen waarmee belanghebbende zich vergelijkt, belastingplichtigen die gebruik maken van één perceel in de zin van artikel 15.33 lid 1 van de Wet milieubeheer, feitelijk noch juridisch in dezelfde situatie verkeren als belanghebbende, die immers van twee percelen in zo-even bedoelde zin gebruik maakt, namelijk het appartement en de woning. De met elkaar vergeleken gevallen zijn dus ongelijk. Voor de opvatting dat sprake is van een onvoldoende ongelijke behandeling van de met elkaar vergeleken gevallen, is geen, althans onvoldoende, steun te vinden in hetgeen belanghebbende heeft overgelegd en anderszins heeft aangevoerd. Ook overigens is het Hof niet van een onvoldoende ongelijke behandeling van de met elkaar vergeleken gevallen gebleken. Indien belanghebbende ook in hoger beroep beoogt te betogen dat de cumulatie van de afvalstoffenheffing die zij voor het appartement en de woning moet betalen, onredelijk en onbillijk is, brengt dit betoog het Hof niet tot een ander oordeel.
(Gerechtshof Den Haag 25 november 2015, nr. BK-14/01571, ECLI:NL:GHDHA:2015:3371)
DATUM:
25 november 2015
ECLI:
ECLI:NL:GHDHA:2015:3371
ZAAKNUMMER:
BK-14/01571
INSTANTIE:
Gerechtshof Den Haag
