Heffing naar vast tarief met opslag afhankelijk van WOZ-waarde toegestaan
De heffingsambtenaar van BWB heeft aan belanghebbende, gebruiker van een winkelpand, een aanslag reclamebelasting opgelegd, naar een vast bedrag, met een opslag op basis van de WOZ-waarde. In geschil is of de Verordening verbindend is en of het in de Verordening neergelegde eenheidstarief verenigbaar is met algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank overweegt dat de reclamebelasting in de Gemeentewet is voorzien als een algemene belasting. De rechtbank leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat gemeenten de waarde van een onroerende zaak als heffingsmaatstaf voor de gemeentelijke belastingen kunnen hanteren en de rechtbank is van oordeel dat dit ook geldt voor de reclamebelasting. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank, zij het impliciet, in het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BD5477). Nu de Hoge Raad heeft beslist dat de WOZ-waarde een geoorloofde heffingsmaatstaf voor de heffing van rioolrecht vormt, geldt dit zeker voor een algemene belasting zoals de reclamebelasting. Verder wijst de rechtbank nog op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:167) op het beroep in cassatie tegen uitspraak van Hof Arnhem van 11 september 2012 (nrs. 11/00528 en 11/00529). Het hof oordeelde dat de heffing van reclamebelasting naar een eenheidstarief geoorloofd was. De Hoge Raad zag in het hiertegen ingestelde cassatiemiddel geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Belanghebbende stelt nog dat de Verordening in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat voor een grotere reclameaanduiding op een pand met een lagere WOZ-waarde minder belasting wordt geheven dan voor een kleinere reclameaanduiding op een duurder pand.
De rechtbank oordeelt dat de gemeenteraad niet verplicht is in de tariefstelling een onderscheid te maken naar gelang de grootte van de reclameaanduiding, en kon aan het eenheidstarief redenen van eenvoud en doelmatigheid ten grondslag leggen. Van een dergelijk tarief kan niet worden gezegd dat het leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van een reclamebelasting niet op het oog kan hebben gehad.
DATUM:
23 februari 2017
ECLI:
ECLI:NL:RBZWB:2017:1432
ZAAKNUMMER:
AWB-16/8333
INSTANTIE:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
