Fysiotherapiepraktijk valt onder vrijstelling voor zorginstellingen
Belanghebbende is mede-gebruikster van een pand waarin zij in een gezondheidscentrum een fysiotherapiepraktijk heeft. Aan de buitenzijde zijn borden aangebracht met de vermelding van de naam van de praktijk. De verordening reclamebelasting bevat een vrijstellingsgrond voor openbare aankondigingen die zijn aangebracht op zorginstellingen en die betrekking hebben op de functie van het gebouw. De heffingsambtenaar stelt dat met ‘zorginstellingen’ in de Verordening bedoeld worden ziekenhuizen, bejaardentehuizen of verpleegtehuizen. Een zorginstelling heeft een toelating nodig en moet aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen wanneer zij zorg wil aanbieden die op grond van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg voor vergoeding in aanmerking komt. De toelating van een zorginstelling wordt geregeld in de Wet toelating zorginstellingen (WTZi).
De rechtbank constateert dat de Verordening geen begripsomschrijving bevat van het begrip zorginstelling. De betekenis van het begrip ‘zorginstelling’ in het algemeen spraakgebruik is niet beperkt tot die zorginstellingen of zorgverleners die zijn toegelaten op grond van de WTZi. De rechtbank concludeert dat het dus niet zonder meer evident is dat de heffingsambtenaars definitie van ‘zorginstelling’ doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een zorginstelling als bedoeld in de verordening. De door belanghebbende voorgestane ruime definitie van zorginstelling komt de rechtbank ook niet onaannemelijk voor. De aanslag is ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.
DATUM:
31 mei 2017
ECLI:
ECLI:NL:RBOBR:2017:2943
ZAAKNUMMER:
16/2856
INSTANTIE:
Rechtbank Oost-Brabant
