Objectieve en redelijke rechtvaardiging voor beperking van het gebied
Belanghebbende heeft een autobedrijf waar openbare aankondigingen zijn aangebracht die zichtbaar waren vanaf de openbare weg. Belanghebbende bestrijdt dat sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het beperken van het belastinggebied.
Het hof oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de voor het jaar 2017 begrote bedragen in overwegende mate tot profijt leiden voor de bedrijven op de bedrijventerreinen. Uit het “Activiteitenplan en begroting 2017” en de toelichting daarop volgt dat in 2015 de opbrengst van de reclamebelasting hoofdzakelijk aan de beveiliging van de bedrijventerreinen is besteed. Ook de voor 2016 en 2017 begrote belastingopbrengst zal hoofdzakelijk daaraan worden besteed. Het zijn de op de bedrijventerreinen gelegen bedrijven die gebaat zijn bij de beveiliging van die terreinen. Het hof ziet onvoldoende reden aan te nemen dat bedrijven die niet op 1 van de 3 bedrijventerreinen zijn gelegen, meer dan bijkomstig profijt hebben van de beveiliging. De begrote uitgaven voor de promotie van Zutphen staan evenmin aan de beperking van het belastinggebied in de weg. Gelet op de omvang van de begrote uitgaven en het nut dat de promotie van Zutphen ook voor bedrijven binnen het belastinggebied kan hebben, kan niet gezegd worden dat voor de gekozen begrenzing van het belastinggebied een objectieve of redelijke rechtvaardiging ontbreekt. Niet elke activiteit behoeft direct ten goede te komen aan belastingplichtigen in het belastinggebied. De stelling van belanghebbende dat zij zich afvraagt of de bedragen wel zijn uitgegeven, heeft zij onvoldoende onderbouwd. De zakelijkheid van de uitgaven is volgens het hof niet relevant voor de beoordeling of de begrenzing van het belastinggebied objectief en redelijkerwijs gerechtvaardigd is.
DATUM:
18 juni 2019
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2019:5041
ZAAKNUMMER:
18/00378
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
