Activiteiten richten zich niet uitsluitend tot het kernwinkelgebied

Belanghebbende stelt dat er geen sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de beperking van de heffing tot het afgebakende gebied. Belanghebbende verwacht in het geheel geen profijt te ondervinden van activiteiten en ondersteunende promotie van Delfzijl door de stichting. Hij stelt dat er activiteiten plaatsvinden, waardoor hij zelfs minder omzet heeft. Volgens belanghebbende beperken de activiteiten van de stichting zich tot een kleiner gebied dan in de Verordening is beoogd. De heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor stelt dat belanghebbende een aanvraag kan doen voor financiële ondersteuning van de stichting voor een activiteit en daardoor profijt kan hebben van de opbrengst van de geheven reclamebelasting. Daarnaast vinden ook buiten het kernwinkelgebied activiteiten plaats en is er aldus sprake van een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond, omdat het gehele afgebakende gebied profijt kan hebben van de opbrengst van de belasting.
De rechtbank overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de beperking tot het afgebakende gebied het erom gaat of de gemeentelijke wetgever in redelijkheid heeft mogen veronderstellen dat de groep belastingplichtigen in het afgebakende gebied van de opbrengst kon profiteren; niet of de leden van deze groep, achteraf gezien, daadwerkelijk daarvan hebben geprofiteerd. Het gaat niet om het individuele profijt voor een bepaalde belastingplichtige. Daarom kan in het midden blijven hoe groot dit profijt is of zal zijn in de specifieke situatie van belanghebbende (Vgl. Hof 's-Hertogenbosch 23 maart 2012, ECLI:NL:GHSHE:BN225 en HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2742). De rechtbank overweegt verder dat de gehele opbrengst als subsidie wordt verstrekt aan de stichting, die het aanwendt voor de marketing ten behoeve van het afgebakende gebied. Daarbij heeft de heffingsambtenaar onweersproken gesteld dat de activiteiten zich niet uitsluitend hebben gericht op het kernwinkelgebied. De heffingsambtenaar heeft gewezen op activiteiten die hebben plaatsgevonden buiten dit gebied. Dit leidt volgens de rechtbank tot de conclusie dat de gemeente in redelijkheid heeft mogen veronderstellen dat op deze manier degenen die profijt kunnen hebben van de opbrengst van de belasting in de heffing worden betrokken. Dat belanghebbende tot dusverre nog geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheden maakt dit niet anders.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.