Misbruik van een wettelijke bevoegdheid bij Wob-verzoeken
Verzoeker heeft B&W van Nuenen, Gerwen en Nederwetten op grond van de WOB verzocht om stukken over de aanstelling of benoeming van de burgemeester en de gemeentesecretaris of de algemeen directeur alsmede eventuele wijzigingsbesluiten en akten of besluiten van aanstelling of benoeming van alle opsporingsambtenaren. B&W betogen dat verzoeker en de directeur van de rechtspraktijk, die samen een huishouding voeren, een constructie hebben opgezet om via de rechtspraktijk over de door verzoeker ingediende WOB-verzoeken te procederen en daarmee inkomsten te genereren. Volgens B&W komt deze werkwijze neer op misbruik van recht.
De afdeling oordeelt dat de bevoegdheid om WOB-verzoeken in te dienen is gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Hierbij acht de afdeling in het bijzonder van belang dat de directeur heeft verklaard dat hij niet weet waarom om de stukken met betrekking tot de burgemeester en de gemeentesecretaris is gevraagd. Ten aanzien van de stukken over opsporingsambtenaren acht de afdeling niet aannemelijk dat juist de gevraagde gegevens benodigd zouden zijn voor een rechtspraktijk van verzoeker die nog niet bestaat. Verder valt op dat geen verzoeken zijn ingediend bij gemeentebesturen in de provincie Limburg, terwijl verzoeker en de directeur in deze provincie wonen en de rechtspraktijk hier is gevestigd. Ook is van belang dat de formulering van de Wob-verzoeken vaag is. De vaagheid van de verzoeken doet afbreuk aan het gestelde doel ervan en maakt de op de verzoeken te nemen besluiten onnodig extra vatbaar voor discussie in bezwaar en beroep. Tot slot is van belang dat bij het indienen van en procederen over Wob-verzoeken op deze manier de financiële belangen van verzoeker, de directeur en de rechtspraktijk niet zijn te onderscheiden. Deze samenloop van financiële belangen blijkt uit de machtiging, de gemaakte afspraak over de kosten van rechtsbijstand, het ontbreken van een afspraak over betaling van griffierechten en de omstandigheid dat verzoeker en de directeur samenwonende partners zijn. Hieruit volgt dat verzoeker en de directeur de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen hebben gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Derhalve hebben zij misbruik van een wettelijke bevoegdheid gemaakt. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep bij de rechtbank in te stellen, nu dat beroep niet kan worden los gezien van het doel waarmee zij de Wob hebben gebruikt. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren. De afdeling doet dit alsnog.
DATUM:
17 februari 2016
ECLI:
ECLI:NL:RVS:2016:396
ZAAKNUMMER:
201505036/1/A3
INSTANTIE:
Raad van State
