Vergoeding in welke vorm ook
Belanghebbende biedt huisvesting aan Poolse werknemers die werkzaam zijn voor een buitenlands bedrijf, dat de afnemer is van producten die belanghebbende verkoopt. De Poolse werknemers verzorgen de oogst en verwerking van die producten. Volgens contractuele afspraken tussen belanghebbende en de afnemer wordt de huisvesting, althans formeel, om niet aangeboden aan de werknemers. De heffingsambtenaar van de betrokken gemeente vindt dat belanghebbende huisvesting tegen vergoeding in welke vorm ook biedt. De rechtbank stelde belanghebbende in het gelijk.
Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door belanghebbende geboden verblijf werd gehouden tegen vergoeding in welke vorm ook. Weliswaar is aannemelijk dat aan de door belanghebbende geboden huisvesting commerciële overwegingen ten grondslag hebben gelegen, maar commerciële overwegingen zijn als zodanig onvoldoende voor de aanwezigheid van het belastbare feit. Het vereiste van een vergoeding in welke vorm ook staat in de weg aan heffing van toeristenbelasting in gevallen waarin verblijf wordt gehouden zonder enigerlei op dat verblijf betrekking hebbende vergoeding. Dat gelegenheid tot verblijf wordt geboden uit commerciële overwegingen is onvoldoende voor de heffing van toeristenbelasting. Hoewel het niet ondenkbaar is dat een vergoeding voor het verblijf van de arbeidskrachten op enigerlei wijze onderdeel vormt van de door belanghebbende met de afnemer van haar producten gemaakte (prijs)afspraken, is het eveneens denkbaar dat daadwerkelijk van een zodanige vergoeding is afgezien, overeenkomstig hetgeen belanghebbende kennelijk formeel met die afnemer is overeengekomen. Zo is het niet ondenkbaar dat de afnemer slechts bereid is geweest tot afname van de producten van belanghebbende tegen een prijs die niet door het onderwerpelijke verblijf wordt beïnvloed, onder de voorwaarde dat dat verblijf aan de arbeidskrachten van de afnemer wordt geboden en dat belanghebbende de aldus bepaalde voorwaarden heeft aanvaard. De gedingstukken bieden onvoldoende inzicht in de afspraken die belanghebbende met de afnemer heeft gemaakt. Het enige in dat verband vaststaande feit is dat contractueel verblijf om niet wordt geboden. Bij die processuele stand van zaken is de heffingsambtenaar er niet in geslaagd het van hem verlangde bewijs te leveren.
DATUM:
13 maart 2015
ECLI:
ECLI:NL:GHSHE:2015:871
ZAAKNUMMER:
14/00053
INSTANTIE:
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
