Wijziging berekeningswijze
Belanghebbende is mede-eigenaar van 2 recreatiewoningen met elk 6 slaapplaatsen, gelegen op een recreatiepark. In deze woningen hebben in 2010 2.676 overnachtingen plaatsgevonden. De heffingsambtenaar van de gemeente Borger-Odoorn heeft een aanslag toeristenbelasting opgelegd van € 2.274,60 (€ 0,85 per overnachting). Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard. De Rechtbank Assen heeft het beroep ongegrond verklaard.
Tot 2010 was de hoogte van de aan belanghebbende opgelegde aanslagen toeristenbelasting vastgesteld volgens een forfaitaire berekeningswijze, waarbij geen rekening werd gehouden met het werkelijke aantal overnachtingen in het belastingjaar. De gemeenteraad heeft een toeristenbelasting ingevoerd en deze per 1 januari 2010 gewijzigd. De bekendmaking van de verordening voldoet aan de wettelijke vereisten. Voor belanghebbendes standpunt dat de gemeente hem vooraf individueel had moeten informeren dan wel had moeten aangeven welke gevolgen de wijziging voor hem zou inhouden bestaat geen wettelijke grondslag. Overigens is belanghebbende van de wijziging van de berekeningswijze en de hoogte van het tarief in het jaar voorafgaande aan de vaststelling van deze aanslag op de hoogte gebracht door de bijsluiter bij de aanslag toeristenbelasting 2009. Bij de bepaling van de inhoud van een verordening, waaronder de heffingsmaatstaf en het tarief, heeft de gemeenteraad een grote mate van vrijheid. Slechts indien de verordening in strijd zou komen met hoger recht of resulteert in een onredelijke en/of willekeurige belastingheffing die de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad, is ingrijpen door de belastingrechter op zijn plaats. Naar het oordeel van het hof heeft de gemeenteraad met de vaststelling van de Verordening toeristenbelasting 2010 de aan hem toekomende bevoegdheid niet overschreden. Naar haar aard is de toeristenbelasting een verblijfsbelasting, waarbij de heffing afhankelijk moet zijn van feiten en omstandigheden die verband houden met de duur van het verblijf en het aantal personen dat verblijf houdt, waarbij overigens aan de gemeentelijke wetgever de bevoegdheid niet kan worden ontzegd een forfaitaire regeling vast te stellen (vgl. HR 17 juni 1981, nr. 19 919, BNB 1981/243). Nu de voor belanghebbende van toepassing zijnde heffingsmaatstaf aansluit bij het werkelijke verblijf, is de aanslag toeristenbelasting 2010 juist in lijn gebracht met de grondslag van artikel 224 van de Gemeentewet. Voor het ingrijpen door de belastingrechter is dus geen plaats. Dat belanghebbende voor de voorafgaande jaren gebruik mocht maken van een voor hem voordelige forfaitaire berekeningswijze, maakt dit niet anders.
Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
Terug naar kennisbank
DATUM:
23 juli 2013
ECLI:
ECLI:NL:GHARL:2013:5465
ZAAKNUMMER:
BK 12/00121
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
