Een forfaitaire berekening moet het werkelijke aantal overnachtingen trachten te benaderen
Belanghebbende exploiteert een camping. Op grond van een verleende vergunning is verhuur van de toeristische standplaatsen toegestaan van 1 april tot en met 31 oktober. In 2002 is belanghebbende met zijn toenmalige gemeente overeengekomen dat de toeristenbelasting met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999 zou worden berekend volgens een van de forfaitaire berekeningsmethode afgeleide formule. Bij brief van 3 maart 2005 heeft de heffingsambtenaar van de nieuwe gemeente Oude IJsselstreek belanghebbende meegedeeld dat de eerder gemaakte afspraak wordt opgezegd en dat met ingang van 2006 toeristenbelasting zal worden geheven. Nu belanghebbende voor het jaar 2006 geen aangifte toeristenbelasting gedaan heeft, is een forfaitaire aanslag opgelegd.
Hoewel een forfaitaire benadering altijd enige ruwheid met zich brengt, volgt – naar het oordeel van het hof – uit het verbod op een onredelijke en willekeurige belastingheffing wel dat een forfaitaire berekening van het aantal overnachtingen het werkelijke aantal overnachtingen moeten trachten te benaderen. Door aan de hand van 6 tellingen het gemiddelde aantal bezette plaatsen per dag te bepalen, is naar het oordeel van het hof aan dit vereiste voldaan. Dat wordt uitgegaan van 365 dagen vormt geen aanleiding de verordening (gedeeltelijk) onverbindend te verklaren, nu 3 in die periode uitgevoerde (nul)tellingen het gemiddelde aanzienlijk drukken. Ter zitting bij de rechtbank heeft de heffingsambtenaar uit coulance toegestemd om ambtshalve een van de verordening afwijkende regeling toe te passen.
Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en handhaaft de ambtshalve nader vastgestelde aanslag.
DATUM:
02 maart 2010
ECLI:
ECLI:NL:GHARN:2010:BL7209
ZAAKNUMMER:
08/00288
INSTANTIE:
Gerechtshof Arnhem
