Gezondheidscentrum voldoet niet aan voorwaarden vrijstelling

Belanghebbende exploiteert een natuurgeneeskundig gezondheidscentrum en is daarvoor door de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland aangeslagen in de toeristenbelasting. Aan de bezoekers van het centrum wordt een vijfdaagse vastenkuur aangeboden in combinatie met overnachting in het centrum, een en ander tegen een vergoeding op commerciële basis. In eerste aanleg heeft de Rechtbank Middelburg (zie: LJN BB5194) het door belanghebbende ingestelde beroep verworpen. In hoger beroep is in geschil de vraag of het kuuroord is aan te merken als ”een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of van ouden van dagen” en - in het verlengde daarvan - de vraag of degene die in het kuuroord verblijft en er een vasten- of zuiveringskuur, al dan niet met aanvullingen, volgt, is aan te merken als ”verpleegde of verzorgde”. In de verordening zijn dergelijke inrichtingen vrijgesteld.
Het hof is van mening dat de wetgever met deze vrijstelling het oog heeft gehad op instellingen waarbij het verplegende dan wel verzorgende karakter voorop staat en degenen die er verblijven er uitsluitend - al dan niet in samenhang met een medische behandeling - om die reden verblijven. Het hof heeft geen aanwijzingen dat de wetgever een ruimere strekking voor ogen heeft gehad dan volgt uit de tekst van de bepaling. Gelet hierop oordeelt het hof dat het door belanghebbende gedreven kuuroord primair is gericht op het verzorgen en begeleiden van een vasten- of zuiveringskuur, alsmede op het aanbieden van diensten die gericht zijn op bevordering van het lichamelijk dan wel geestelijk welzijn. Voor zover binnen de door het kuuroord aangeboden diensten een vorm van verpleging dan wel verzorging is te onderkennen, is deze volgens het hof ondergeschikt en ondersteunend aan het ondergaan van de kuur. Dat het merendeel van de kuurgasten min of meer gebukt gaat onder een fysieke dan wel psychische aandoening, dat een aantal kuurgasten de kuur ondergaat op medische indicatie, alsmede dat in een aantal gevallen de kosten van de kuur voor het geheel dan wel ten dele worden vergoed door een zorgverzekeraar, doet aan dit oordeel niet af. Evenmin doet aan dit oordeel af dat de kuurgasten de kuur onder zorgvuldige en deskundige begeleiding ondergaan en hen daarbij een zekere mate van verzorging wordt aangeboden. Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.