Tariefdifferentiatie naar accommodatiecategorie toegestaan

Aan belanghebbende is een aanslag logiesbelasting 2000 opgelegd naar het aantal overnachtingen in een accommodatie met ster. In geschil is of de aanslag is opgelegd op basis van een verordening die verbindende kracht mist, en zo niet, of de aanslag voor wat betreft het tarief dient te worden verlaagd op grond van het gelijkheidsbeginsel. Naar vaststaat is op 23 februari 2000 door de raad van de gemeente Groningen het besluit genomen tot vaststelling van een op artikel 224 van de Gemeentewet gebaseerde belastingverordening. De tekst van deze verordening is daarbij vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de raad. Derhalve is deze verordening rechtsgeldig tot stand gekomen. Namens belanghebbende is gesteld dat deze verordening niet op de juiste wijze is gepubliceerd, zodat hij verbindende kracht ontbeert. Naar uit de bij het verweerschrift overgelegde stukken blijkt, is de eveneens door de voorzitter en de secretaris van de raad ondertekende tekst gepubliceerd in het Gemeenteblad en is daarvan melding gedaan in een plaatselijk huis-aan-huisblad. Daarbij is tevens gemeld dat de vastgestelde verordening kosteloos voor een ieder ter inzage ligt en voor een ieder verkrijgbaar is bij het Gemeentelijk Informatiecentrum. Met het vorenstaande is naar 's Hofs oordeel voldaan aan de publicatieplicht en kan aan de Verordening de verbindende kracht niet worden ontzegd. Hieraan doet niet af dat in het plaatselijk huis-aan-huis-blad niet de letterlijke tekst van de Verordening is afgedrukt, noch dat de daarin vermelde essentie van de te heffen belasting niet letterlijk overeenkomt met de tekst van de Verordening. Eveneens doet daaraan niet af dat door de gemeente voor belangstellenden, die daarom verzoeken, een gedrukte versie van de Verordening beschikbaar wordt gesteld, die wat betreft de tekst afwijkt van artikel 6 (tarieven) van de Verordening. Zulks zou slechts gevolgen kunnen hebben ingeval bij belastingplichtigen daardoor het vertrouwen wordt opgewekt dat een lagere aanslag zou worden opgelegd. Dit kan in de onderhavige zaak niet het geval zijn. Ook de officieel vastgestelde tekst van de Verordening wordt op verzoek ter beschikking gesteld. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat voor de in de Verordening gehanteerde tariefsdifferentiatie een redelijke grond ontbreekt en dat deze leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing. De eraan ten grondslag liggende gedachte dat de differentiatie meer overeenstemt met een redelijke verhouding tussen de overnachtingprijs en de logiesbelasting door prijsonderzoek wordt gelogenstraft. De differentiatie is daarom volgens belanghebbende in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Naar 's Hof oordeel blijkt uit de in de Verordening opgenomen omschrijving van de accommodatiecategorieën, dat die onderscheiden categorieën geen gelijke gevallen vormen, zodat toepassing van verschillende tarieven voor de verschillende categorieën geen schending vormt van het gelijkheidsbeginsel. Het hof heeft het beroep ongegrond verklaard.
De Hoge Raad heeft onder verwijzing naar art. 81 van de Wet RO, geoordeeld dat het beroep van belanghebbende niet tot cassatie kan leiden.

 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.