Aanslag opgelegd naar een andere grondslag is geen tweede primitieve aanslag
De heffingsambtenaar van BsGW heft eerst een basisbedrag en later een bedrag voor extra ledigingen boven de 14 maal per jaar. Belanghebbende betoogt dat er geen tweede aanslag voor hetzelfde jaar kan worden opgelegd.
De heffingsambtenaar stelt dat geheven wordt naar verschillende grondslagen. De ene grondslag is het jaarlijks vastrecht voor het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan de gemeente een inzamelplicht van huishoudelijke afvalstoffen heeft. In het vastrecht is een vergoeding begrepen voor het aantal ledigingen voor zover die de 14 niet te boven gaan. De andere grondslag is het heffen voor het aantal ledigingen voor zover die de 14 te boven gaan. De bestreden aanslag is volgens de heffingsambtenaar wel toegestaan, omdat voor een en hetzelfde belastbare feit naar afzonderlijke grondslagen wordt geheven (HR 7 februari 1973, nr. 16 885, BNB 1973/69, en 26 juni 1974, nr. 17 382, BNB 1974/228).
Het hof overweegt dat de belasting per perceel per belastingjaar verschuldigd is bij het begin van het belastingjaar en dat de belasting per lediging, indien het aantal ledigingen voor restafval meer is dan 14 per belastingjaar, verschuldigd is bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van bezittingen, werken of inrichtingen. Uit de Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel blijkt dat de aanslag is geheven naar een andere grondslag dan die van het vastrecht. Er wordt weliswaar geheven voor één belastbaar feit, namelijk voor het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, maar naar twee op zichzelf staande grondslagen, de belasting per perceel per belastingjaar en de belasting per lediging, indien het aantal ledigingen voor restafval uitstijgt boven 14 per belastingjaar.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgedaan met toepassing van artikel 81 RO.
DATUM:
09 juni 2017
ECLI:
ECLI:NL:HR:2017:1041
ZAAKNUMMER:
17/00637
INSTANTIE:
Hoge Raad
